Wednesday, 20 March 2013

Spouwmuurisolatie - een fotoverslag

Tussen onze muren zat een lege ruimte van zo'n 8 cm. Op diverse plaatsen was een gat in de voeg geboord en met een speciale camera-op-een-steeltje werd gekeken of de spouw schoon en droog was. Dat was gelukkig het geval.

Een paar weken later arriveerde er een busje vol oude mannen (de jonge goden waren kennelijk op) die twee dagen lang zo ongeveer elke meter een gat boorden in onze buitenmuren.
Omdat ik niet goed tegen lawaai kan ben ik 'm al snel gepeerd.
De poezen waren in uiterste staat van ellende, want die konden nergens heen.


Gaten boren

De gaten zolang even afgedicht met een pluk glaswol

Een slurf in het gat waardoor de glaswolvlokken erin geblazen worden

Nog meer gaten boren

De compressor met de slang voor de vlokken

Glaswol ging als groot  compact blok erin en kwam er als vlokken uit

Opgevuld, lekker warm!

Helemaal boven konden ze niet met de ladder komen, dus daar ging van binnenuit, met de slang door het raampje


En weer de slurf in de gaatjes  



Gaatjes dichtgemaakt, en klaar








Monday, 11 March 2013

Update

Winter


Tot mijn schrik ontdek ik dat ik sinds 11 december helemaal niks meer geschreven heb. Op dit blog althans. Want schrijven doe ik altijd wel, of het nou concepten voor verhalen zijn of e-mails of gewoon wat overpeinzingen, er gaat geen dag voorbij voor ik mijn hersenspinsels aan al dan niet digitaal papier toevertrouw.

Wat is er sinds die tijd allemaal gebeurd?
Om te beginnen werd ik ziek. Dat gebeurt me elk jaar in december aangezien die maand veel te druk is voor iemand die zo fragiel is als ik. Een normaal mens heeft aan kerst alleen al genoeg om in de stress te schieten, bij mij komen daar nog vijf verjaardagen (exclusief die van Sint) bij, waarvan we er twee sinds een paar jaar gewoon maar overslaan en eentje zo ongeveer half vieren wanneer de visite hier toch is.


De gelukte taart
Toen de kerstdagen voorbij waren, keerde de rust weer en konden de feestelijkheden wat mij betreft losbarsten. O, wacht, die waren al voorbij, net als al die leuke kerstmarkten waar ik ook altijd pas na kerst de puf voor heb.  Ook dat overkomt me elk jaar, en elk jaar neem ik me voor het dit keer anders aan te pakken, en dat is me nog nooit gelukt.


De kerstballen gaan weer in de doos
Op een zeker moment stapten we een nieuw jaar binnen en de eerste paar weken van januari heb ik als een soort zombie door het huis gelopen. Pas tegen het eind van de maand had ik de decemberdip een beetje van me af geschud. Ik begon uit te zien naar de lente.

Dit is geen lente
Normaal heb ik daar nooit zo'n last van, winterblues, maar dit jaar toch wel behoorlijk. Gewoonlijk heb ik na de zomer zin in herfst en winter, ik houd van de cyclus van de seizoenen, maar in wezen is dat nou juist wat er vorig jaar niet gebeurd is: ik heb geen zomer gehad.

De hele zomer, waarin ik normaliter mijn topdagen beleef wat tuinieren betreft (samen met boeken lezen de beste manier om te ontstressen), is afgelopen jaar grotendeels aan me voorbij gegaan. 
Ik ben alleen maar druk geweest met dozen inpakken en tussen de bedrijven door de laatste hand leggen aan mijn boek - of was ik nou de laatste hand aan mijn boek aan het leggen terwijl ik tussen de bedrijven door onze emigratie voorbereidde? 
Nou ja, in elk geval, van genieten van de zomer is niet veel gekomen en daardoor had ik ook helemaal geen zin in de winter. Er ontbrak iets in de cyclus der seizoenen, gevoelsmatig.

Nu was het in ons nieuwe huis ook niet bepaald een pretje toen de winter op volle kracht huishield. Mensenlief wat hebben we het koud gehad. Op hoogtijdagen kregen we het vijftien graden in de woonkamer. We sliepen met kruiken en extra dekbedden en fleecedekens en droegen overdag dikke vesten over onze truien. 


In de kelder van ons huis stond een oliegestookte ketel die nog het meest weghad van een of andere machine uit het ruim van de Titanic. Het ding was ruim veertig jaar oud en ging ook naar toenmalige maatstaven met warmte en milieu om, wat erop neerkwam dat van de warmte die hij wist te produceren zo ongeveer de helft door de schoorsteen naar buiten vloog. 


De bijna antieke olieketel (let op de analoge klokjes)
 
De andere helft kwam weliswaar in de kamer terecht, maar vervloog daar praktisch net zo snel aangezien het huis nog helemaal niet geïsoleerd was. Oké, er zit dubbel glas in de kozijnen, maar daarmee is ook echt alles gezegd. Geen isolatie tussen de spouwmuren, geen dakisolatie, geen vloerisolatie, helemaal niets. Op zolder keek je tegen de kale dakpannen aan en waaide het net zo hard als buiten. En daarnaast, gescheiden door een houten wandje, lagen de slaapkamers.


De zolder
Met hulp van een energiedeskundige hebben we een plan voor ons huis opgesteld, waarna mijn man - zo nu en dan tot onze grote dank geholpen door mijn vader - begon het dak te isoleren. Ons huis werd aangesloten op de gemeentelijke gasleiding, de ketel werd vervangen door iets heel moderns met een superhoog rendement en er kwamen mannen helemaal uit het noorden van het land om onze spouwmuren vol te prutten met hele zachte glaswolvlokken, zo wit en zacht als katoenen watten. 


14 centimeter dikke glaswol met ademend folie eronder


Dagenlang onrust in huis en werkvolk over de vloer, maar sindsdien voelt ons huis aangenaam, ik heb voor het eerst in maanden weer een jurkje aangehad met een dun vestje eroverheen, de poezen slapen weer op de bank (in plaats van met hun neus tegen de verwarming aan). Met nog één verdieping te gaan begint het einde van het dakisolatieproject ook in zicht te komen. 

De gipsplaten gaan erop
Het was bijna een tegenvaller dat op het moment dat we eindelijk ons huis warm hadden, plotseling en vrij onverwacht de lente in alle hevigheid losbarstte. Het zal niemand ontgaan zijn: bijna achttien graden en een stralende zon, het was zo ongelooflijk warm en echt, de sneeuw en al die kou was ineens zo ver weg. De vogels zongen en ik kon éindelijk uit die winterse cocon kruipen om voor het eerst sinds het halve jaar dat we hier nu wonen, iets aan die reusachtige tuin van mij te doen.

Lente!

Ik ben maar eens begonnen met weghalen. Want de vorige bewoners waren oude mensen die niet veel lol meer aan tuinieren beleefden, en de hele tuin vol hadden gezet met groenblijvers en winterbloeiende heesters. Vijf middagen lang ben ik als een razende Roeland door de tuin gegaan, gewapend met een spade en een snoeischaar, wat geresulteerd heeft in ongeveer twee à drie kuub groenafval en een eind dat nog lang niet in zicht is. 

De eerste heidestruik is eruit

Poedie controleert een kuub heideplanten

Ik kwam ook nog een paar stenen tegen

Een bijna leeg perk
 Alles wat ik niet in mijn toekomstige tuin wil hebben moest eraan geloven, maar toch vooral de heideplanten en de tientallen coniferen. Op het laatst werd ik bijna onpasselijk van de zurige lucht van die coniferen. Ook een paar taxussen hebben het veld moeten ruimen, en allerlei planten waarvan ik me nog herinnerde dat ze lichtgeel bloeiden (dat vind ik zo'n lelijke kleur!). De vele hibiscussen heb ik grondig gesnoeid en alleen een forsythia en een dwergsering mochten blijven. En natuurlijk de hortensia's. Ik ben gek op hortensia's. 

Een grondig gesnoeide hibiscus


Na die vijf middagen sloeg het weer om en bleek dat de winter zich zo gemakkelijk nog niet gewonnen geeft. Het is bijna niet voor te stellen dat ik nog geen week geleden in een shirt met opgestroopte mouwen stond te puffen terwijl er nu weer een pak sneeuw ligt! Ergens maar goed ook dat het weer koud werd, want al krijg ik energie van tuinieren, van dit zware werk werd ik toch behoorlijk moe en stoppen met iets dat ik leuk vind is voor mij altijd moeilijk, dus ik ben wel dankbaar dat het weer mij een halt toeriep voor ik mezelf een schouder- of rugblessure bezorgde.

Pluis lekker buiten (aan de lijn)

Poedie geniet van het zonnetje (ook aangelijnd)

Knijnen lekker buiten


Zelfs de snoeischaar keek blij




Tuesday, 11 December 2012

Zo'n dag




Je hebt van die dagen dat de wet van Murphy je op je hielen zit. Gisteren was zo’n dag. Eigenlijk begon het allemaal heel gewoon en onschuldig. De wet van Murphy gaat, zo blijkt, ook niet precies om middernacht in of zoiets. Bij mij gebeurde het rond half vijf ’s middags. Ik had mijn kind uit school opgehaald en samen waren we naar een groot tuincentrum in de buurt, dat elk jaar bekend staat om zijn uitzinnige kerstafdeling,  gereden. Ik was niet van plan iets te kopen. We hebben genoeg kerstspullen. Nou ja, misschien een paar rode ballen om de kerstkrans aan de voordeur op te leuken. En een paar zilveren erbij, om het wat feestelijker te maken. Weet je wat, nog wat lint erbij. O kijk, ze hebben kant op rol en ik wilde ooit die kussentjes die ik thuis heb nog eens opleuken. Nu ik toch bezig ben kan ik net zo goed ook spullen kopen om die andere krans, die binnen hangt, weer eens opnieuw te bekleden. En eigenlijk ben ik al heel lang op zoek naar een vijfarmige kandelaar, als ze die hier niet hebben weet ik het ook niet meer. 

Enfin, de eerste tekenen van Murphy’s law begonnen zich bij de kassa te roeren. Reeds een tikje kriegelig door de overdaad aan lichtjes, botsende winkelkarren, jengelende kinderen en door elkaar heen klinkende kerstmuziek in combinatie met een lunch die inmiddels ver achter me lag had ik, zoals gebruikelijk, weer eens de verkeerde rij uitgekozen en kwam ik achter een oude mevrouw te staan die een uniek exemplaar zonder prijskaartje had gekocht. 

Er was dus geen mogelijkheid een soortgelijk artikel waar wél een barcode op zat uit het schap te halen en in plaats daarvan te scannen. Mensen achter mij in de rij kozen eieren voor hun geld en sloten aan bij andere rijen, waarna ik hen het pand zag verlaten toen mijn spullen nog op de band lagen.   
Toen ontdekte mijn dochter dat een klein met kralen bezet doosje dat ze had uitgezocht, een paar kralen miste. De caissière vroeg diverse collega’s om het doosje om te ruilen voor een gaaf exemplaar, maar niemand luisterde en degene die haar wel hoorde begreep haar niet en riep een bedrag, omdat ze dacht dat het artikel niet geprijsd was. 
Mijn dochter bood aan het doosje zelf om te ruilen, maar kwam na twee minuten met een huilerige uitdrukking op haar gezicht terug omdat het tuincentrum zo onmetelijk groot is en ze de kerstafdeling niet eens kon terugvinden, laat staan de plek waar die doosjes lagen. Uiteindelijk besloten de caissière en ik, tot teleurstelling van mijn dochter, het doosje maar van de lijst af te halen. Het bedrag dat de caissière vervolgens noemde was alsnog twee keer zo hoog als het maximum dat ik in mijn hoofd had.

Ik was moe, ik had honger en ’s avonds moesten mijn dochter en ik nog naar een extra ingelaste muziekles, dus we gingen snel naar de auto – maar nee, de wet van Murphy was nog steeds van kracht. Bij het enige afritje naar de parkeerplaats (met een kar vol breekbare spullen stuiter je liever geen stoeprand af) stond een bus vol bejaarden in rolstoelen, die op een bij hun leeftijd passend tempo uitgeladen werden. 

Onderweg begon het te sneeuwen, waardoor het een kwartier langer duurde om thuis te komen. Half zes was het inmiddels, en ik moest nog koken, en om zeven uur moesten we in een naburige stad zijn, waar wist ik niet eens, want ik was de brief waarop het adres genoteerd was, kwijtgeraakt. Om preciezer te zijn: ik was de hele tas met mijn dochters muziekspullen kwijt. 

Uiteindelijk vonden we die, en toen bleek dat we daar niet om zeven uur, maar al om kwart voor zeven moesten zijn. En het zou minstens een half uur, misschien wel drie kwartier rijden zijn. Van koken kon dus geen sprake meer zijn dus snel een blikje tonijn vermengd met wat mayo, kappers en gedroogde tomaten, dit op broodjes gesmeerd om nog een beetje het idee van een maaltijd te hebben en om zes uur als de wiedeweerga in de auto gestapt. 

Navigatie aangesloten. Aangezet. “Software niet aanwezig”. Uiteraard. Dat doet hij alleen als je haast hebt. Uitzetten, weer aanzetten. Nu deed hij het. Ik was intussen zo ver dat ik alleen in blaffende, afgemeten bewoordingen kon praten, dit ter illustratie. Brief erbij gepakt, adres ingetikt. 

Hij kende het adres niet. 

Ik voelde een gloeiende bal lava in mijn borststreek omhoog komen en wilde gillen, maar hield me in. Er was een kind bij. De navigatie kende het “plein” niet, maar wel de “weg” met dezelfde naam. Op hoop van zegen dat plein en weg in elkaars directe nabijheid zouden liggen, maar voor de “weg” gekozen.

De navigatie stuurde ons via de snelweg. Ik wist een binnendoorweg naar die stad, die korter is. Dat denk ik althans, omdat mijn man altijd die binnendoorweg neemt, en mijn man is iemand die nog een weiland schuin over zou steken als hem dat honderd meter zou schelen. Een half uur lang heb ik dus “Draai waar het kan. Keer om.” moeten aanhoren. Gevolgd door “Nieuwe routeberekening. Na honderd meter: neem eerste links en keer om.”

Zoiets gaat akelig op je zenuwen werken. Ondertussen gleed de tijd voorbij en begon ik me bezorgd af te vragen of drie kwartier niet een beetje aan de korte kant was ingeschat. Ook gaf het ding aan dat de totale afstand veertig kilometer was. Véértig kilometer? Voor een uurtje muziekles? Ik begon langzamerhand nattigheid te voelen, zeker toen de navigatie me, bij de betreffende stad aangekomen, via allerlei omwegen die ik niet kende, naar een nogal onbewoond deel stuurde waar de schaarse boerderijen bij daglicht vast heel pittoresk langs dat bochtige weggetje liggen, maar waar je ’s avonds om half zeven als het sneeuwt en je de weg niet kent met verkrampte handen aan het stuur zit. Dat er nog een wegomlegging op ons pad kwam met een groot geel bord “volg G” lag geheel in de lijn der Murphy-verwachtingen. En de navigatie maar roepen dat ik verkeerd reed en om moest keren. 

Het werd kwart voor zeven en ik had het vermoeden dat waar die muziekschool zich ook bevond, het vast niet in de outskirts van die stad, tussen de boerderijen, was. Maar goed, de logica van een navigatiesysteem is niet altijd te volgen en wie weet stuurde het ding ons buiten de drukte van de stad om naar de plek waar we moesten zijn. Of zoiets. 

Eenmaal op de plaats van bestemming aangekomen bleek dit een onverlichte weg te zijn waar in de verste verte geen huizen meer te zien waren. Ik kon op dat moment veilig concluderen dat het “plein” en de “weg” niet in elkaars directe nabijheid lagen. Ik besloot de weg maar gewoon te vervolgen, omdat mijn postduivengevoel me zei dat de stad ergens vóór ons moest liggen. Dat bleek gelukkig zo te zijn. Nooit eerder was ik zo blij bij het zien van een rij lantaarnpalen. De blijdschap duurde niet lang, want hoewel ik vaak in deze stad ben geweest was dit een deel dat me compleet vreemd voorkwam. Ik ken er prima de weg van mijn huis naar de parkeergarage in het centrum, maar verder ken ik daar heg nog steg en dat brak me nu op. Soms zag ik iets dat bekend leek, maar er stond veel nieuwbouw en daardoor raakte ik compleet gedesoriënteerd. Het enige waar ik op kon hopen, was een stadskaart langs de kant van de weg zodat ik eens kon kijken waar ik nou werkelijk heen moest. Toen ik die eindelijk vond en in de bijtende kou, met sneeuw rond mijn kop jagend, het betreffende plein opzocht, bleek de plek van bestemming midden in het centrum te liggen. 

Eenmaal daar aangekomen wist ik ineens weer waarom ik elf jaar geleden uit de Randstad ben weggegaan. Drukte, auto-onvriendelijk en geen parkeerplaatsen. Vraag me niet waarom het op een willekeurige ijskoude maandagavond zo ontzettend druk was daar, maar het kwam erop neer dat er een beperkt aantal parkeerplaatsen was die allemaal bezet waren, dat er ineens geen straatnaambordjes meer waren zodat ik wist dat ik vlakbij was, maar nog steeds niet precies wist waar ik nou moest zijn, dat er straten eindigden in een rij paaltjes zodat je moest omkeren om eruit te komen en dat er een voetgangersgebied was waar ik met de auto niet kon komen. Na enkele minuten vergeefs naar een parkeerplek zoeken, leerde een simpele rekensom me dat als we nu nog een parkeerplek moesten zoeken en van daaruit nog naar de plek van bestemming lopen (inclusief zoeken waar we nou precies moesten zijn), we ongeveer vijf minuten voor het eind van de les aanwezig zouden zijn. 

Ik heb toen maar mijn telefoon gepakt en de muziekjuf gebeld, waarop ik bovenstaand relaas in enkele korte zinnen uit de doeken deed en vervolgens rechtsomkeert heb gemaakt.
Een uur en drie kwartier nadat we vertrokken waren, waren we weer thuis. Onverrichter zake, maar wel een illusie armer. Met een warme kop thee kwamen we weer enigszins tot onszelf.

De volgende morgen – vandaag dus – leek normaal te beginnen. Op tijd wakker geworden, opstaan en aankleden van een leien dakje. Eenmaal in de keuken kwam ik tot de ontdekking dat de Brinta op was. Geen probleem, we hebben tegenwoordig een grote kelder waar zich een soort dependance van de supermarkt bevindt, en ik, overtuigd dat de pech van de vorige avond zich niet zou uitstrekken tot de volgende dag, liep in al mijn onschuld naar beneden om een nieuw pak te halen. 

Op.

Ik zei een lelijk woord. Iemand had het laatste pak gebruikt en had vervolgens de in dit huis geldende regel dat wie het laatste artikel pakt, het even op het boodschappenlijstje moet schrijven, aan zijn laars gelapt. 

Omdat mijn dochter vaak problemen met haar suikerspiegel heeft moet ze stevig ontbijten. Een bruine boterham is geen probleem, voor een keertje, maar net nu hadden we alleen maar wit brood in huis. Omdat de klok gewoon doortikte en we intussen al weg moesten, heb ik maar een boterham gesmeerd en een thermosbeker melk ingeschonken, die ze onderweg in de auto dan maar moest nuttigen. 

Ik had de auto de vorige avond onder de carport gezet. Zo handig als het sneeuwt of vriest. Hoef je niet meer te krabben, kun je zo wegrijden. Behalve als, Murphy indachtig, de wind uit het noordoosten blaast, precies je oprit op, onder je carport door. Het leek sneeuw, wat er op de voorruit lag. Ik zette de ruitenwissers aan. Het bleek ijs. Na het schoonkrabben van de ruit leerde een blik op het klokje me dat we nooit meer op tijd op school zouden zijn. 

Omdat we vanwege het weer niet de enigen waren die voor de mechanische koets als vervoermiddel hadden gekozen, kwamen we een paar kilometer voor school in een heuse file terecht. En we waren al te laat voor school. Nu heb ik in die omgeving jarenlang gewoond dus ik kende een binnendoorweg. Helaas schoot er op de valreep een auto, die geen voorrang had, vlak voor mij de weg op, en dit bleek iemand te zijn die ofwel met zomerbanden reed en gladheid vreesde, ofwel in de veronderstelling was dat hij in een dertigkilometerzone reed. Een stel fietsende middelbare scholieren die hardnekkig naast elkaar bleven rijden op de autoweg, durfde hij niet in te halen. Verderop op de rondweg zag ik de file aan mij voorbij sukkelen. 

Vlak bij school, zeg, zo’n honderd meter voor we er waren, ontdekte mijn dochter dat ze haar melk vergeten was. Omdat ze toch al zo’n karig ontbijt achter haar kiezen had, maande ik haar de melk snel op te drinken. Maar de thermosbeker had de melk koud gehouden. Zo koud dat ze het niet achter elkaar op kon drinken. Ik zei: je had onderweg zelf aan je melk moeten denken. jij gaat niet naar school voor je je melk op hebt. Ik parkeerde de auto en wachtte tot ze haar melk op had. Ik wachtte, en wachtte, en eindelijk had ze het op. Tien minuten te laat ging ze haar klas binnen.

Tevreden met de redelijk goede afloop van dit avontuur ging ik hierna naar de supermarkt om Brinta te kopen. Dat was het enige voordeel van de vertraging: de winkel gaat om half 9 open, normaliter als ik daar wat ga kopen nadat ik mijn dochter bij school heb afgezet, moet ik wachten tot de winkel opengaat. Nu kon ik zo doorlopen. Brinta gepakt en naar de kassa. Er stonden twee mensen voor me. Eentje met een blikje, eentje met twee blikjes. En een kassier die zorgelijk keek. Op knopjes drukte. Sleuteltjes heen en weer raakte. Aan zijn geldlade rukte. Nog zorgelijker keek toen hij achter mij meer klanten zag aansluiten. 

Hij mompelde iets, liep weg, haalde de cheffin erbij. Die herhaalde alles wat hij ook al had gedaan, en besloot de computer van de kassa te resetten. Er kwamen diverse sleutels aan te pas eer de juiste was gevonden en daarna ging er een luik open, er werd op een knop gedrukt en op het scherm bij de kassa begon allerlei data voorbij te razen – maar geen opstartprogramma.

Er werd een derde persoon bij gehaald, er werd een telefoontje gepleegd, en eindelijk, nadat ik zo'n tien minuten gewacht had, werd er besloten een andere kassa te openen. Daar was niets aan de hand. Iedereen rekende zonder morren af, mijn pinpas deed het gewoon, mijn auto was niet weggerold omdat ik hem niet op de handrem had gezet en startte meteen, het voelde als een klein wondertje dat alles gewoon deed wat het moest doen. 

Om half tien was ik thuis, kon ik de luiken opendoen, de kachels aanzetten en de poezen eten geven, en daarna kon ik eindelijk zelf ontbijten. Mijn dag kon beginnen.

Tuesday, 13 November 2012

Poezenpaniek


Gisteren zijn de poesjes allebei weggelopen. Mijn dochter had de deur naar de tuin niet goed dichtgedaan – indirect te wijten aan mijn man die de sleutel eruit had genomen en in de schuur had laten steken, waardoor het automatisme om de tuindeur op slot te draaien niet uitgevoerd kon worden. 
Ze waren kennelijk al een tijdje weg en omdat ik met mijn (eindelijk gevonden) koptelefoon op in mijn kantoor zat, had ik ook niets gemerkt. Paniek alom, mijn dochter in alle staten (ongeveer zoals ik wanneer ik haar in een menigte kwijtraak, ze weet nu hoe ik me dan voel en waarom ze altijd een handje moet geven), alle drie naar buiten, zij hard huilend, Poedie en Pluis roepend, visioenen over een voorgoed leeg huis en aangereden poezen negerend, bleek dat ze nog helemaal niet ver waren; Pluis liep op het geheime paadje voor de conifeerhaag en Poedie was de haag onderdoor gestoken en liep op het grasveld. 
Met zijn drieën als bij een ouderwetse drijfjacht de katten tuinwaarts gedreven, Poedie bleef ineens heel stil zitten, gaf zich gewonnen en liet zich oppakken; Pluis liep, eenmaal terug op bekend terrein, doodgemoedereerd naar de tuindeur om daar te gaan staan wachten tot hij opengedaan werd. 
Hun straf bestond uit het tegen hun zin incasseren van talloze bijna-verstikkende knuffels van mijn dochter, gepaard met haar hartverscheurende en voor kattenoren waarschijnlijk oorverdovende gehuil van opluchting en loskomende angst. 
Hierna hebben ze de rest van de dag geslapen, geslapen en nog eens geslapen. Kennelijk was het toch nogal een avontuur voor ons harige duo. Van de weeromstuit loopt Pluis sinds vanmorgen al te miauwen om herhaling. 
Nee, is mijn steevaste antwoord. Pas in het voorjaar, als ze echt totaal helemaal 100 procent gewend zijn aan dit huis, sta ik hen toe los en zonder toezicht naar buiten te gaan. 

Links: Poedie, rechts: Pluis

Sunday, 16 September 2012

De onhandige klusser

Sinds begin van deze maand - een paar dagen na mijn boekpresentatie eigenlijk, want soms lijkt je leven stil te staan en soms, zoals nu, zit je in een stroomversnelling en komt alles tegelijk - zijn wij de trotse eigenaren van een woning in Duitsland.

Omdat begin volgende maand iemand staat te trappelen om ons oude huis te betrekken, zijn we nu razend druk ons "alles grijs en beige en zijdebehang en vloerbedekking"-huis te transformeren naar iets hedendaags dat beter past bij onze stijl en leeftijd.

Omdat wij wel bezwaar hebben tegen verbouwen maar niet tegen klussen, zijn we erg blij dat de man die hier zijn hele leven gewoond heeft, timmerman was en daardoor niet alleen bijzonder handig met hout, maar met bouwen en klussen in het algemeen. Ja, alles was dus beige en grijs, maar in uitstekende staat, en dat was destijds voor ons een belangrijke reden om dit huis tot de potentiële kanshebbers te rekenen.
We hebben huizen gezien waar eerst een half jaar aan geklust moest worden voor het überhaupt bewoonbaar was, en die vielen voor ons steevast af. Niet alleen de kosten, maar het werk. Ik ken mezelf, en weet dat ik na twee enorme verbouwingen die ik als kind mee heb gemaakt, voorgoed genezen ben van grootschalige projecten.

Als kind woonde ik met mijn ouders in de bovenste helft van een oud pand, dat mijn vader in zijn geheel kocht toen de benedenburen naar elders vertrokken. Om van twee woningen één te maken moest er nogal wat gebeuren, om het maar even eufemistisch uit te drukken. Tel daarbij op dat mijn vader meteen maar CV aanlegde en een compleet nieuwe elektrische installatie inclusief bedrading, en je hebt een indruk van de omvang van het project.
Een paar jaar later nog maar diende zich de kans aan mijn vaders ouderlijk huis te betrekken. Mijn grootouders hadden daar ruim veertig jaar gewoond en eigenlijk was er sinds die tijd nooit iets aan het huis gemoderniseerd. Dat betekende dat het stikte van de originele elementen waar tegenwoordig bij antiekboeren en handelaren in oude bouwmaterialen grof geld voor wordt neergeteld, maar het betekende ook dat mijn vader van voor af aan kon beginnen met het vernieuwen van de totale elektrische installatie, CV aanleggen enzovoorts.

Pas toen ik zeventien of zo was, was het huis echt klaar en zo had ik in wezen bijna tien jaar lang in half-affe huizen gewoond waarin nog van alles moest gebeuren.
Voorgoed genezen, zoals ik al zei.

We kunnen ons er nu van af maken met verven, behangen, sauzen en vloeren leggen, en dat moet, voor zover de planning er nu voor staat, wel voor het eind van de maand te realiseren zijn.

Alleen, waar mijn man doelmatig te werk gaat, bak ik er een potje van. Ik ben een zogenaamde onhandige klusser. Ik werk keurig volgens een planning, de resultaten van mijn werk zien er netjes uit, alleen... ik maak er steevast een zooitje van.

Als ik schilder, zit de verf tot aan mijn ellebogen, als ik saus ga ik met mijn voeten in de bak voor de roller staan en struikel vervolgens achteruit over het krukje dat ernaast staat.
Ik ben nu een kozijn aan het schilderen, en dat doe ik werkelijk heel netjes - eerst met de kwast, daarna met de fluweelroller erover, zodat er geen strepen en zakkers te zien zijn - en vervolgens blijkt dan dat ik de ramen en de vensterbank heb meegeverfd. Ondanks de afplaktape. Want mijn roller komt altijd precies dáár waar geen tape zat. 
En ja, ik draag een overall en handschoenen, en nóg zit ik aan het eind van de dag onder de verf. Ook op plaatsen waar ik bedekt ben tijdens het werken. 

Dus toen ik vanmiddag een schroevendraaier nodig had die drie meter van mij vandaan in een kamer lag waar de vloer er al in ligt, ben ik maar even naar beneden gelopen om te vragen of iemand die schroevendraaier voor mij wilde pakken. Want ik zag het al gebeuren: met verf aan mijn voeten over het nieuwe laminaat lopen.
Op de trap zit ook al om de tree een witte vlek, dat gebeurt me hopelijk geen tweede keer.

Al met al doe ik mijn werk dus netjes, al ben ik twee keer zo veel tijd kwijt aan het herstellen van de schade die mijn onhandige wijze van werken veroorzaakt. In de tijd dat mijn man een muurtje verplaatst en dichtstuukt, weet ik met moeite één wand te sauzen.
Het voelt een beetje oneerlijk, net of hij veel meer doet dan ik, maar ach, ik moet maar zo denken: ik ben nou eenmaal een schrijver, gewend om te werken met mijn hoofd. Mijn lijf heeft gewoon te weinig ervaring, en daardoor zijn mijn bewegingen nogal onhandig. Dat klinkt toch hopelijk als een zeer overtuigende uitvlucht. :)