Friday, 31 August 2012


Op zaterdag 1 september verschijnt bij uitgeverij Parelz de verhalenbundel Welkom in Parnassia van Helena Rentmeester. Het boek wordt voor het eerst gepresenteerd op Manuscripta (Westergasfabriek, Amsterdam) en Helena Rentmeester zal die dag aanwezig zijn om te signeren. Zij wordt live geïnterviewd om 14:30 uur op het podium in Gashouder 1.



Welkom in Parnassia
Helena Rentmeester is een meesterverteller. Schijnbaar moeiteloos zet ze in haar herkenbare rijke stijl, gelijkend op die van Carlos Ruiz Zafón, een sfeer neer waarbij de lezer zich direct zelf op verlaten overwoekerde stationnetjes of in statige vervallen villa’s waant. Tijd lijkt niet te bestaan of stil te hebben gestaan in haar verhalen.
Met dit boek ontsluit zij de toegang tot haar verbeeldingswereld. Centraal thema in de verhalen is de vergankelijkheid, of het nu van schoonheid, van roem of van het bestaan zelf is. De zeven verhalen zijn meestal realistisch, soms een tintje magisch of absurdistisch, maar altijd zo overtuigend dat je vanaf de eerste zin ‘in het verhaal bent’ en ademloos verder leest. Welkom in Parnassia van Helena Rentmeester telt 212 pagina's en kost 16,95 Euro. ISBN: 9789491074172 http://www.parelz.eu/?p=606

Helena Rentmeester
Helena Rentmeester debuteerde in 2006 met de roman Pont du Gard. Zij heeft een warme interesse in geschiedenis, natuur en het onverklaarbare: elementen die in haar boeken en verhalen steevast de achtergrond vormen waarin deze zich afspelen. Welkom in Parnassia is haar eerste literaire verhalenbundel.
Manuscripta
Manuscripta, de jaarlijkse opening van het boekenseizoen, vindt plaats op 1 en 2 september in de Westergasfabriek in Amsterdam. Op zaterdag zullen Helena Rentmeester en Lucas Zandberg om half 3 op het podium zitten (Gashouder 1) en worden ondervraagd door Carien Touwen over ‘vallen en opstaan’ in het schrijversleven. Dit is tevens het thema van Azra Magazine nummer 4. Aansluitend wordt de winnaar van de Azra Magazine schrijfwedstrijd bekendgemaakt en zal het volgende nummer, met daarin het winnende verhaal, verkrijgbaar zijn.
Helena Rentmeester signeert op zaterdag 1 september in de stand van uitgeverij Parelz en Azra Magazine. Signeertijden:
12:30-13:00 uur
15:00-16:00 uur (aansluitend op haar podiuminterview)
Meer informatie over Manuscripta: www.manuscripta.nl

Friday, 17 August 2012

De luie tuinier

Vorige week kwam de mevrouw die ons huis heeft gekocht even bij ons op bezoek om alvast wat kleine dingetjes te regelen.
Terwijl we over van alles en nog wat keuvelden, kwam de tuin ter sprake. Ze is niet zo bedreven in tuinieren, bekende ze, en er staan allemaal van die mooie planten, wat moet ze daar nou toch mee aanvangen?
Nou staan er eerlijk gezegd niet zo heel gek veel mooie planten meer aangezien ik de dierbaarste exemplaren eruit gehaald heb om mee te nemen naar mijn volgende tuin. Sommige, die te groot zijn om in zijn geheel mee te nemen (de clematis bijvoorbeeld, die zich over de volledige tien meter schutting heeft uitgestrekt) heb ik gestekt, van weer andere heb ik zaden verzameld. Alles bij elkaar een aardig begin om mijn nieuwe tuin straks een zelfde aanzien te geven als de huidige: een tikje vol, een tikje rommelig en met romantische kleuren. Een cottagetuin, heet zoiets. Mensen die openlijk van mening zijn dat ik hoognodig wat energie in mijn tuin moet steken, snappen het principe van een cottagetuin niet. Die hóórt een tikje rommelig.


Enfin, ik had het daar dus over met de nieuwe bewoner en legde uit dat de tuin weliswaar vol staat, maar dat ik er toch nauwelijks werk aan heb.
Natuurlijk werd dat in eerste instantie niet geloofd. Toch is het zo. Meer dan wat overvloedig groeiende wingerd wegknippen of al te enthousiaste scheuten van de clematis doe ik eigenlijk niet. 

Schoffelen, ik kan me niet heugen wanneer ik het voor het laatst heb gedaan. Onkruid wieden: geen idee wat dat is. In mijn tuin is helemaal geen plek voor onkruid! Mijn Tuinklauw Goud staat al jaren werkloos in de schuur. De spa heb ik voor het laatst gebruikt toen we de vijver aanlegden, een jaar of vijf geleden. Hooguit knip ik soms eens iets weg in de hoop dat er later in de zomer nog een tweede bloei volgt. 

  Gaura
En wat er groeit en bloeit, sterft grotendeels in de winter af en komt in het voorjaar weer terug. Aan het eind van de herfst de afgestorven delen wegknippen, dat is zo'n beetje het grootste karwei gedurende het jaar.
Want terwijl ik zo met haar zat te praten, realiseerde ik me: ik ben een luie tuinier. Ik zit liever in mijn tuinstoel te genieten van al dat moois, dan dat ik me vermoei met allerhande tuingereedschap, zwart tot mijn ellebogen en met pijn in mijn rug van het bukken.


Flox

Toch is dat niet helemaal waar. De belangrijkste reden dat ik zo weinig écht zwaar fysiek werk in mijn tuin verricht, is dat er niets meer te doen valt. Op een gegeven moment, zo'n vijf, zes jaar nadat we hier waren komen wonen, waren de mogelijkheden om creatief met het postzegeltje tuin om te gaan, allemaal benut. 
Ik kon hooguit nog iets wat er al was, verplaatsen. Maar nóg meer perk aanleggen, nóg meer flagstones in het gazon, nóg een vijver aanleggen, of een heg, of een stuk terras weghalen ten behoeve van het groen: er is gewoon geen plek voor. 
De zin is er wel, maar de tuin is te klein. Mijn tuin was klaar en ik kon er mijn creativiteit niet meer in kwijt.


Hortensia (die niet mee gaat...)
 
In die zin ben ik de nieuwe buren ergens wel dankbaar; zij hebben onze al jaren sudderende, vage verhuisplannen in een stroomversnelling gebracht en over een week of twee, drie kan ik een tuin van serieus formaat tegemoet zien. 

Prikneus

Het zou zomaar kunnen dat deze luie tuinier dan plotseling een heel actieve tuinier wordt.


Tuesday, 17 July 2012

Recept

Benodigdheden:
  • 2 mooie knikkers
  • 2 kleine puntzakjes
  • 12 kleine kussentjes
  • 15 miljoen haren van 3 cm (kleur naar keuze)
  • 30 haren van 10 cm
  • 18 halfronde nagels
  • een stukje fluweel van 1 x 2 cm
  • kaas of worst voor de vulling
  • motortje

Thursday, 5 July 2012

Crackers

Ik kocht crackers bij de supermarkt.
Lekker met een plak kaas.
Maak ik het pak thuis open:






Hebben de vakkenvullers ermee lopen voetballen of zo?

Enfin. Volgende keer maar weer die crackers van Dr. Karg kopen. Die zijn onbreekbaar. Ik heb ooit scheepsbeschuit gegeten, mijn vader had ooit een blik ergens vandaan, vraag me niet waar. 
Crackers van Dr. Karg zijn nog harder dan scheepsbeschuit.



Sunday, 24 June 2012

Papavers

Ik houd van papavers.
De tere blaadjes, de lange stengels, de manier waarop ze zachtjes wuiven in de wind en impressionistische schilders inspireren.
Claude Monet 

Onze oude buurman, die totaal niet van tuinieren hield en zowel zijn voor- als achtertuin met stenen had bedekt, had op een dag een prachtige rozerode papaver in zijn voortuin staan. Zomaar aan komen waaien en alleen maar tot bloei gekomen omdat de buurman niet aan onkruid wieden deed. Ik was zo gecharmeerd van deze prachtige papaver, dat ik op een avond, in het donker, de zaaddoos eraf heb geknipt.
Sindsdien bloeit deze enorme papaver in mijn achtertuin. Hij zaait zichzelf rijkelijk uit en ook de insecten zijn er blij mee.


Dit jaar ben ik niet zo "tuinerig" omdat we gaan verhuizen. Het enige waar ik druk mee ben, is het oppotten van planten die mee mogen. Ik heb een paar cementbakken bij de bouwmarkt gehaald, en daarin onder andere mijn rozen geplant. Het was schone aarde, maar kennelijk zaten er in de kluit van de rozen nog wat zaden en ja hoor, enorm grijsgroen blad: papavers.


Leuk, dacht ik, want hoe meer zaaddozen, hoe meer vreugd.
Vorige week ging, wat verlaat ten opzichte van vorige jaren, de eerste bloem eindelijk open. Hij was wat donker van kleur, maar ik dacht: die moet zijn bloemblaadjes nog strekken, dan wordt hij vanzelf lichter.
Dat gebeurde niet. En toen ik goed keek zag ik waarom: dit was niet de gerafelde roze. Dit was een heel ander soort!

Qua kleur pasten ze prachtig bij elkaar, zeker in combinatie met de rozen die rond dezelfde tijd in bloei waren gekomen. Ik was blij met dit onverwachte cadeautje en besloot ook van deze mooierd zaad te oogsten voor in mijn toekomstige tuin. 
Door om de steel van de gerafelde een plakbandje te doen, kon ik de zaaddozen uit elkaar houden.

Maar het papaververhaal is nog niet uit!

Onderweg naar school zag ik op een braakliggend veldje een paar donkerpaarse papavers bloeien, tegen zwart aan. De volgende avond met snoeischaar en plastic zakje op pad gegaan om zaaddozen te oogsten. Opium, dat ook uit papaverzaaddozen wordt gewonnen, is erg verslavend, maar het verzamelen van de zaaddozen om het zaad is bijna net zo verslavend.

Mijn teleurstelling was groot toen bleek dat ik niet de eerste was. Kale stengels zonder bloem of doos wezen naar de hemel. Gelukkig ontdekte ik dieper tussen het onkruid nog een paar over het hoofd geziene zaaddozen en deze nam ik, gelukkig als een jager met zijn trofee, mee naar huis.

Onderweg naar huis wandelde ik langs de andere kant van het braakliggende veldje. Er lagen grote bergen zand, bedoeld voor een of ander toekomstig bouwproject, en aan de achterkant van een van die bergen, aan het zicht onttrokken voor iedereen die niet dezelfde route nam als ik, stonden papavers....
Mijn mond viel ervan open.

Enorme, volle, dubbele papavers!


Hoe komt zoiets moois aan de achterkant van een heuveltje terecht? Bij toeval? Hadden die zaden, zoals bij papavers niet ongebruikelijk is, jaren in het zand liggen slapen en waren ze ontwaakt nadat de graafmachine ze op die berg gedeponeerd had?
Een klein rondje om de zandberg heen maakte de verbazing alleen nog maar groter. Er stonden zo veel heem- en andere heksenplanten, dat het wel leek of een of ander kruidenvrouwtje er op die plek stiekem een tuintje op nahield. 

De papavers waren echter ongeschonden, nog nooit door mensenogen aanschouwd misschien, en alle zaaddozen zaten er nog aan. 
Ik heb er zo veel mogelijk geoogst, want wie wil er nu niet zulke prachtige bloemen in zijn tuin?

Het verhaal krijgt een mooi einde.
Mijn dochter vond gisteren een ontwortelde papaver... wit met paars in de bloembladen. Mét een zaaddoos. Ze nam hem mee naar huis, voor mama. Wat geweldig hè. 
Nu maar hopen dat al deze mooie bloemen aanslaan in onze nieuwe tuin!


Sunday, 10 June 2012

Buitendagje


 
Ik had niets van het weerbericht meegekregen en daarom was de blauwe lucht vanmorgen een fijne verrassing. Ik stond vroeg op, kleedde me aan en begaf me naar de tuin. Wat was het al warm! Ik kon me niet herinneren dat er door de weermannen en –vrouwen afgelopen week naar zulk weer was gehint , dus ik genoot met extra volle teugen, in de veronderstelling dat het met een uurtje of twee (hooguit) weer naar binnen vluchten zou zijn.

Niets was minder waar. Het bleef heerlijk. Oké, er kwamen wat vriendelijke zomerwolkjes opzetten, maar die waren dermate in de minderheid dat ze deze onverwacht mooie dag niet konden bederven.

Miniboeketje uit eigen tuin

Ik had onlangs een stapel tuinboeken bij de bieb gehaald, o.a. De Cottagetuin van Toby Musgrove, Een Tuin voor de Hele Familie van Bunny Guinness en Natuurrijke Tuinen van Jean Vanhoof, en ik besloot eens niet alleen van de prachtige foto’s te genieten, maar echt te lézen. Zo had ik na een paar uur een paar bladzijden vol geschreven met plantennamen die ik in mijn toekomstige tuin zou willen hebben, met tuintips, wetenswaardigheden en nuttige internetadressen.

Ik zat ongegeneerd te genieten. De buren niet thuis, de tuin bijna op zijn mooist, en een tiental mussen die zoals elke dag trouw op hun aar gierst wachtten.
Terwijl ik zo in het zonnetje zat, ontdekte ik ook de minder leuke kanten van een tuin vol dieren. Ik weet dat het Poedie was, en niet Pluis, want Pluis is kortgeleden gesteriliseerd en mocht niet buiten komen. Naast het terras, nota bene boven op het graf van onze oude poes, lagen de restanten van een mus. Twee pootjes, wat veertjes en een halve vleugel. 
Ik aarzelde, moest ik dit laten liggen? Mijn dochter vindt zulke dingen óf razend interessant, óf zo zielig dat ze ervan moest huilen. Ik besloot het te laten liggen, de juiste gok. Ze vond het geweldig interessant.

De restanten van een musje

Pluis mocht vandaag van mij eventjes de tuin in. Van de dierenarts nog niet, maar ik denk dat “niet naar buiten” vooral geldt voor katten die dagenlang door de buurt zwerven. Niet voor katten die keurig in achtertuintjes van vijf bij tien blijven. Pluis mocht van ons alleen op de stenen en niet tussen de planten, in verband met infectiegevaar, maar ja, zie een kat maar eens tegen te houden.
Mijn dochter kwam met een lumineus idee: Er zou een hekje moeten staan. Wat een idee! We hebben een buitenren voor de konijnen, bestaande uit zes losse hekjes die tot een hexagoon kunnen worden gebouwd. Je kunt ze natuurlijk ook in de lengte langs het terras zetten. En dat deden wij. Pluis blij (want buiten), wij blij (want rustig kunnen lezen en niet voortdurend hoeven opletten waar de poes is), zelfs de vogels blij, want die hadden al snel door dat de poezen niet voorbij dat hekje kwamen.

De vogeltjes achter het hek

Nou ja, Poedie wel, die is slank en sportief, en sprong als een serval zo lenig over het hekje. Prachtig om te zien, het leek wel een vertraagde opname en op het hoogste punt leek ze even stil te staan in de lucht. De vogels waren al weg voor ze de grond weer raakte. Eenmalig dus en niet opnieuw geprobeerd.
Pluis is minder lenig, veel zwaarder, net geopereerd en bovendien een beetje dommig. In volle vaart rende ze tegen het hekje aan, en tien mussen, een heggenmus en een koolmees vlogen geïrriteerd op, om even later weer neer te strijken en verder te eten. Pluis zat nog een beetje beduusd en niet-begrijpend te kijken waarom het niet gelukt was. 

 Pluis loert op een mus

In de tuinboeken die ik vandaag las, kwam ik ideeën en tips van tuinarchitecten tegen die ik zonder erg al in mijn eigen tuin heb uitgevoerd. Zoiets geeft de burger moed. Ik heb bijvoorbeeld geen rechte zichtlijn naar achteren, hoe klein mijn tuintje ook is. Het pad dat na het terras begint splitst zich richting schuur en richting poort, en maakt een knik om de border heen. Hierdoor is het zicht vanuit het huis heel anders dan vanaf het bankje dat ik achterin heb staan. De phloxen en de hoge dropplant belemmeren het zicht, en daarachter heb ik nog wat lagere bloeiers staan, die je vanuit het huis niet kunt zien en vanaf het bankje wel. 


Phlox en dropplant

Ik heb dit jaar niet veel aan mijn tuin gedaan. Waar ik vooral druk mee ben geweest, is het uitgraven van planten die ik mee wil nemen. Mijn rozen, bijvoorbeeld. De varen die uit de tuin van mijn ouders komt. Mijn dicentra, mijn paarse oregano, mijn epimedium, vrouwenmantel, een paar hortensia’s… te veel om op te noemen. De lege plekken heb ik opgevuld met gemengd bloemenzaad, dat inmiddels al begint te bloeien.
En verder heb ik diverse potten en hangmanden met zomerbloeiers; geraniums, vlijtige liezen, lobelia enzovoorts, het standaardgenre voor de zomer eigenlijk. Ik moet alleen nog petunia’s, ik vind die kleine Million Bells altijd zo leuk. 

’s Middags zo rond een uur of vier zag mijn man in een blad een foto van een appeltaartje, en we hadden nog een heleboel oude appeltjes liggen. Een goede drie kwartier later stond er een taartje in de oven, waarvan we na het eten als toetje een punt namen.
Omdat mijn dochter een allergie heeft en heel veel ingrediënten niet kan verdragen, maak ik veel zelf en zelden iets uit een pakje. Dat lijkt bewerkelijk, maar is het in de praktijk helemaal niet. Ik bedoel, wie heeft er nu standaard een pak Dr. Oetker Appeltaartmix in zijn kast staan? Een zak bloem echter en suiker en kaneel heeft iedereen wel in huis, en een appeltaartje is niet veel meer dan dat. Ik vind het wel wat hebben, om zomaar de keuken in te kunnen duiken en te kunnen maken wat er in je opkomt.

Sorry geen foto van het appeltaartje gemaakt, dus maar een foto van een kaas-ham ciabatta die ik onlangs bakte.

Enfin, na dat stuk appeltaart besloot ik dat een beetje beweging geen kwaad kon, en toen ik in een van de tuinboeken las dat je buxus ook ’s avonds kunt snoeien, als de zon weg is (zulk soort dingen kom ik nou nooit zelf op, ik ga altijd op een bewolkte dag zitten wachten), besloot ik dat dat een mooi karweitje was voor de broodnodige beweging. Ik heb een echte ouderwetsche snoeischaar op menskracht. Goed voor de armspieren. 

Na nog een verdiende kop thee nu toch maar naar binnen gegaan, het is nog steeds helder, maar de lucht is fris en het koelt snel af. 

En de rest van de appeltaart? Die neemt mijn man morgen mee naar zijn werk. Hij heeft ooit lopen opscheppen dat zijn vrouw zulke lekkere appeltaarten kan bakken, en daar wilden zijn collega’s wel graag het bewijs van proeven. Hijzelf vond dat hij het voor de grap had gezegd, maar zijn collega’s bleven aandringen. Die belofte kan morgen dan eindelijk ingelost worden. Ikzelf was er althans bijzonder tevreden over!

Thursday, 24 May 2012

Huis en Tuin (deel 2)


Kopen en verkopen, schrijf ik, maar eigenlijk is het andersom. Je kunt niet kopen voordat je verkocht hebt. In deze tijden van crisis is eerst verkopen überhaupt al aan te raden, maar als je wilt gaan wonen waar wij willen gaan wonen, dan kun je niet anders.

Wij gaan over de grens wonen.

Nederland staat bekend om zijn dure grond en dat maakt de huizen navenant duur. Rechts van Nederland ligt een heel groot en ruim land met veel lagere grondprijzen en veel stabielere huizenprijzen. Dat in dat land mijn wortels liggen was maar een klein onderdeeltje in de overweging. Dat je daar voor een alleszins redelijke prijs een huis kunt kopen waar je in Nederland eerst een winnend staatslot of twee fulltime drukke banen voor moet hebben, was een veel belangrijker argument. 

We zijn ons er ten volle van bewust dat vijftien kilometer verderop wonen gewoon emigreren is en qua papierwinkel niet heel anders dan wanneer we naar Nieuw-Zeeland zouden verkassen. Maar wij zijn gelukkig ook geen mensen die over één nacht ijs gaan. Er is op twee dagen na een jaar overheen gegaan. 

Eerder dit jaar schreef ik dat we één kijker hebben gehad voor onze te koop staande woning. Ze zeggen altijd: je kunt wel honderd kijkers hebben, maar je hebt maar één koper nodig. Wij hadden het ongelooflijke geluk dat deze ene kijker ook de koper werd. In het slapste kwartaal sinds het begin van de crisis in 2008 wisten wij ons huis te verkopen. 

In de tijd dat ons huis te koop stond, bezichtigden wij van tijd tot tijd huizen in de grensstreek, aan Duitse kant welteverstaan. Duitse huizen zijn steevast groter, ruimer en hebben lappen grond die in geen verhouding staan tot de gemiddelde Nederlandse achtertuin. 

Omdat ik een vriendin heb die al over de grens woont, had ik haar huis al die tijd in mijn achterhoofd als maatstaf. Ik heb er vorige zomer een weekje gelogeerd toen zijzelf op vakantie was en dat was heel handig, want zo kon ik enkele dingen die het wonen over de grens met zich meebrengen, in de praktijk uittesten. 

We bezochten huizen die te groot waren, huizen die te klein waren, huizen die heel onhandig op de kavel lagen (gigantische voortuin en achter een strookje van drie meter), huizen met een krankzinnige indeling, nieuwe huizen, oude huizen, huizen waar je zo in kon en huizen waar eerst nog een half jaar aan verbouwd moest worden. We zagen huizen die zo verwaarloosd waren dat de makelaar ons de kelder niet durfde te laten zien omdat die waarschijnlijk vol water stond, huizen waar je de spinnenwebben opzij moest duwen om bij de roze jaren '70 badkamer te komen, huizen waar de kinderslaapkamer nog kleiner was dan die mijn dochter nu heeft, huizen die een prachtig uitzicht leken te hebben tot we een vrachtwagen zagen rijden en er dwars door dat bos een weg bleek te lopen, enzovoorts.

Op een zonnige dag bekeken we een huis op een zeer rustige locatie. Het voldeed aan praktisch al onze eisen; het was een huis met uitstraling, het lag op een mooie plek, de tuin lag goed ten opzichte van de zon, iedereen kon een eigen kamer hebben, de kavel was 800 vierkante meter, de staat was zo goed dat je er zo in kon, et cetera.

Alleen lag het naast het spoor.

Dat was erg jammer, want ik heb mezelf in 2001 (eigenlijk eerder) plechtig beloofd nooit meer in de buurt van een spoor te gaan wonen. Wij woonden ooit in een flat dat naast het spoor lag. Mijn tante woonde ertegenover en zei, voor we het kochten: "Die trein, die hóór je op een gegeven moment niet meer."

Waarna ik me er vier jaar lang, zevenendertig maal daags, te pletter aan heb geërgerd.

Nooit meer bij het spoor dus.

De makelaar was dezelfde mening toegedaan als mijn tante: Die trein hoor je amper. Het station is vlakbij, ze gaan daar heel langzaam.
Ja, maar er rijdt ook elke nacht een goederentrein en die stopt niet bij het station. Die dendert gewoon door en aangezien ik zelfs soms wakker word van de goederentrein die op drie kilometer afstand van mijn huidige huis voorbij raast, besloot ik dat het een dikke nee werd voor dat huis.

Tot verdriet van mijn man, want die zag dat huis helemaal zitten. Het wás ook een geweldig huis. We besloten dat huis als onze nieuwe standaard te beschouwen en alle volgende huizen daaraan af te meten.

Op een zeker moment bezichtigde ik samen met mijn dochter een huis, omdat mijn man die dag verhinderd was. Het bleek een verrassingshuis. Niet alleen verkeerde het zowel binnen als buiten in zeer nette staat, ook bleven er maar deuren opengaan waarna er weer onvermoede ruimtes verschenen. 

Ik wist: dit huis móet mijn man zien. Een afspraak voor een tweede bezichtiging was snel gemaakt. 

Ook mijn man was enthousiast. Het voldeed in praktisch alle opzichten aan onze eisen. Het was het huis aan het spoor, maar dan de plusversie ervan. 

In die tijd hadden we ons eigen huis nog niet verkocht, of waren we nog in het proces van bieden en tegenbieden verwikkeld, dat weet ik niet precies meer. Wel herinner ik me dat het erg spannend werd. Wij konden niets zolang ons eigen huis nog niet definitief verkocht was. Duitse banken kennen geen overbruggingskrediet of iets dergelijks en een hypotheek krijg je alleen als je schuldenvrij bent. Een spannende tijd brak aan, want stel dat er een andere gegadigde kwam die dat leuke huis voor onze neus wegpikte?

Dat gebeurde niet. Gelukkig!
Onze termijn van "onder voorbehoud verkocht" verstreek geruisloos, de Duitse bank ging akkoord met een eventuele financiering van het leuke huis, en toen begon het. Het leek wel of de weg bezaaid was met keien. De onderhandelingen verliepen op zijn zachtst gezegd traag en moeizaam. Zwemmen door dikke stroop met haaien erin. Ik begon de moed te verliezen. Waren we nu zo dichtbij en zou het toch nog mislopen? Strandden we in het zicht van de haven? We planden zelfs al bezichtigingen voor andere huizen.

Maar zoals het zo vaak gaat met iets dat zich moeizaam door een kleine opening wurmt; met een *plop* was alles er ineens doorheen en twee weken later zaten we bij de notaris het koopcontract te tekenen.

Het ging allemaal zo snel dat ik nog steeds niet helemaal kan geloven dat we dat huis echt hebben weten te kopen. Maar echt, het is zo, het wordt van ons!

Zes kamers, achthonderd vierkante meter grond, vijf kippen en genoeg zolder om er nog drie kamers bij te maken. Boven op een heuvel, vlak bij een bos, met uitzicht op het kasteel.

Ja, ik zal mijn prachtige tuin missen, maar ik krijg er een gigantische tuin voor terug. Ik ben al begonnen met mijn dierbaarste planten uit te graven of te delen, zodat zij mee kunnen verhuizen. 


~wordt ongetwijfeld vervolgd ~

Huis en tuin

Wat ruim een jaar geleden in gang werd gezet met de komst van de niet zo fijne nieuwe buren, begint eindelijk wezenlijk te worden. Midden in de crisis, op het moment dat de huizenmarkt op slot begon te gaan, zetten wij ons huis te koop. Vol vertrouwen, eerlijk gezegd, omdat we in een courante straat wonen en de huizen van diverse buren in het verleden altijd wel met een maand of drie, vier verkocht waren.

De fotograaf kwam midden in december, wat voor ons de slechtst mogelijke timing was, aangezien niet alleen Sint en Jezus die maand jarig zijn, maar mijn dochter eveneens, en zij werd ook nog eens getroffen door een geheimzinnig virus dat haar twee weken lang in bed dwong te blijven. Midden in die twee weken viel haar verjaardag. Dat is heel zielig, als je acht bent. In diezelfde periode beviel mijn zus een maand te vroeg van haar dochter en dat alles maakte dat ik niet bepaald relaxt op de fotograaf zat te wachten.

Mijn huis moest aan kant, aan kanter dan het ooit aan kant is geweest. Ongeveer zo aan kant als wanneer mijn schoonmoeder op bezoek kwam, maar dan in het tienvoudig kwadraat. Aangezien ons huishouden gewoonlijk een grote overeenkomst vertoont met de schilderijen van Jan Steen, wachtte mij een fikse taak. Want wie zijn huis te koop zet, moet het representatief op de foto's krijgen. En daarmee wordt bedoeld: spic en span, alsof het nieuw is, alsof er net verbouwd is en de verf nog maar net droog is, alsof je er eigenlijk helemaal niet weg wilde. Levendig maar niet persoonlijk, ruim maar gezellig. Alle foto's, tekeningen van mijn dochter, speelgoed, krabpaal/torenflat van de katten, spullen op het dressoir, ALLES moest weg wilde ik mijn huis volgens de ongeschreven regels van de huizenverkoopwereld op de foto krijgen.

Een volle week ben ik bezig geweest om het representatieve interieur te bewerkstelligen dat van me verwacht werd - denk je in, mijn dochter lag ziek op de bank en eiste ook met een zekere regelmaat mijn aandacht op - en toen het eindelijk klaar was dacht ik bij mezelf: Wat een akelige lege bende. Het was mijn huis, maar toch ook weer niet. Nee, een leeg, kaal, opgeruimd huis is aan mij echt niet besteed.

De fotograaf was een geval apart. Hij praatte namelijk alleen tegen mijn man. Als ik wat zei, negeerde hij dat en vervolgens richtte hij zich weer tot mijn man. Ik dacht er het mijne van, als het meezat zou ik hem nooit meer ontmoeten en dat is tot nog toe ook zo geweest.
De foto's werden inderdaad erg representatief. Hij gebruikte een enorme groothoeklens waardoor ons huis ongeveer twee keer zo groot leek. Mijn woonkamer leek wel een balzaal en op de foto's was het dressoir ongeveer acht meter lang en driehoekig van vorm. Maar dat was allemaal normaal, zei de makelaar, zo doen we dat altijd. Prima, dacht ik. Als het maar kijkers trekt.



En dat gebeurde. Twee dagen na kerst, toen ons huis net weer een Jan Steen-achtige gezelligheid had aangenomen, zou er een kijker komen. Dus weer dat hele riedel van opruimen.
En toen de kijker kwam, mijn dochter en ik de deur uit. Koud dat het was! Regenen! En geen buur thuis, dus maar een ommetje gemaakt. Uiteindelijk bij de dokter in de wachtkamer gaan zitten, een warme choco uit de automaat genomen en wat tijdschriften doorgebladerd tot de makelaar belde.
De kijker was enthousiast! Dat was een goed begin, vonden wij. In deze tijden!

Maar het bleef bij die ene kijker. Hierna bleef het angstvallig stil. Tot de makelaar belde: onze kijker wilde nog eens kijken! Dit keer met een medemakelaar.

Om een lang(dradig) verhaal kort te maken: midden in de crisis, op het moment dat de huizenmarkt compleet op slot zat en in het slechtste kwartaal sinds de jaren '80, verkochten wij ons huis aan de enige kijker die ooit is komen opdagen.

En wat er daarna gebeurde, vertel ik volgende keer.

Tuesday, 24 April 2012

De Serre


De serre
Het huis waar ik de eerste helft van mijn kindertijd doorbracht, had een serre. Het huis waar ik de tweede helft doorbracht, ook. Voor mij is een serre synoniem aan een lichte, zonnige, tuingerichte ruimte in huis waar bij voorkeur zo veel mogelijk tijd doorgebracht wordt wanneer het weer het niet toelaat om buiten te zitten.

De serre was de plek waar ’s middags na school thee gedronken werd, waar ik altijd zat te tekenen, waar de poezen in de zon lagen te slapen, waar de visite – mits niet te talrijk – werd onthaald. In de weekends was de serre de plek waar je de hele dag zat, van ontbijt tot het tijd voor het avondeten was. Licht en tuinzicht, wat wil een mens nog meer?

Mijn moeder zei wel eens gekscherend dat ze de rest van haar huis voor de sier had, want in de donkere voorkamer zaten we eigenlijk nooit en in de achterkamer we alleen wanneer er gegeten werd.
 Ik ben waarschijnlijk lichtelijk verwend doordat ik in herenhuizen van rond de eeuwwisseling ben opgegroeid. Ik wist als kind niet beter dan dat een gemiddelde kinderkamer zes bij vier is, dat een huis ruim twee keer zo veel kamers heeft als het aantal personen dat er woont, dat ieder huis van voor naar achter drie kamers telt en achter de voordeur een vestibule voordat de échte gang begint.

Het was hardhandig wakker worden toen ik mijn eerste baan had en ontdekte dat er volwassen mensen waren, met gezinnen, die in een huisje woonden dat in zijn geheel net zo veel vierkante meters besloeg als onze benedenverdieping. Ik was wellicht een tikje naïef.

Ik kijk graag op Funda om te zien hoe andere mensen hun huis hebben ingericht. Soms zijn huizen zo mooi, dat ik ze opsla op mijn computer in een mapje dat als een soort moodboard dient voor een toekomstig droomhuis. Soms zijn de huizen zo bedroevend dat het niet anders kan dan dat ze in 1982 zijn ingericht door de firma Kraak noch Smaak en er sindsdien niets meer aan is veranderd. Ik kan me bijna niet voorstellen dat iemand zoiets “thuis” zou noemen. Ik bedoel, je hebt smaken en die kunnen verschillen, maar je hebt ook huizen die, nou ja, gewoon niets uitstralen. Niet eens wansmaak, niet eens doorsnee-Ikea, maar gewoon Echt Helemaal Niets. 

Wat me ook opvalt, als ik te koop staande huizen van binnen begluur, is dat mensen zich vaak helemaal geen raad weten met hun serre. Zelden zie ik er een gezellige tuinkamer van gemaakt, zoals mijn moeder die heeft. Soms staan er enkel twee ongemakkelijke stoelen in, of een hondenmand en verder niks. Ik kan er met mijn verstand niet bij dat je in zo’n lichte, tuingerichte ruimte, waar het in het prille voorjaarszonnetje al zo aangenaam toeven is, niet zou willen zitten! 

Zouden mensen die net weten wat ze ermee aanmoeten, dezelfden zijn die het woord zo steevast verkeerd uitspreken? Met zo’n langgerekte è, alsof serre een afkorting is van misère? Misschien krijgen ze door die uitspraak al een negatieve associatie met die toch zo fijne ruimte die de overgang tussen binnen en buiten zo zacht markeert. Mensen, het is serre, niet sère. 

En je dient er te zitten, te genieten, boeken te lezen in het bleke voorjaarszonnetje, met grote potten thee erbij en een bos tulpen op tafel, en ’s zomers kun je er een soort verlengd terras van maken, als je de openslaande deuren opengooit en je in de serre ineens half binnen, half buiten zit. 

Tot slot nog een paar tips aan makelaars.
1.       Alle huizen staan op een unieke locatie. Alleen van flatwoningen en appartementen zou je nog enigszins kunnen beweren dat ze op een niet-unieke locatie gebouwd zijn.
2.       Wij trappen echt niet meer in termen als “kluswoning”, “uitdaging voor iemand met twee rechterhanden” of “huis met mogelijkheden”. Als het woord krot meer de lading dekt, zeg dan gewoon krot en trek de vraagprijs met minimaal 50.000 euro omlaag.
3.       Huizen die zogenaamd pas twee dagen te koop staan, en dat een half jaar later nog steeds: niet doen. Mensen die er elke dag langs rijden en nog altijd geen bezichtiging hebben aangevraagd, hebben überhaupt geen interesse, dus die trucjes kun je achterwege laten.
4.       Een plaatsje achter het huis van twee bij vijf meter op het noorden is géén zonnige ruime achtertuin.
5.       Termen als “levendige buurt” en “vlak bij uitvalswegen” betekenen gewoonlijk dat het huis naast een druk kruispunt staat met drie scholen en een supermarkt.