Thursday, 24 May 2012

Huis en Tuin (deel 2)


Kopen en verkopen, schrijf ik, maar eigenlijk is het andersom. Je kunt niet kopen voordat je verkocht hebt. In deze tijden van crisis is eerst verkopen überhaupt al aan te raden, maar als je wilt gaan wonen waar wij willen gaan wonen, dan kun je niet anders.

Wij gaan over de grens wonen.

Nederland staat bekend om zijn dure grond en dat maakt de huizen navenant duur. Rechts van Nederland ligt een heel groot en ruim land met veel lagere grondprijzen en veel stabielere huizenprijzen. Dat in dat land mijn wortels liggen was maar een klein onderdeeltje in de overweging. Dat je daar voor een alleszins redelijke prijs een huis kunt kopen waar je in Nederland eerst een winnend staatslot of twee fulltime drukke banen voor moet hebben, was een veel belangrijker argument. 

We zijn ons er ten volle van bewust dat vijftien kilometer verderop wonen gewoon emigreren is en qua papierwinkel niet heel anders dan wanneer we naar Nieuw-Zeeland zouden verkassen. Maar wij zijn gelukkig ook geen mensen die over één nacht ijs gaan. Er is op twee dagen na een jaar overheen gegaan. 

Eerder dit jaar schreef ik dat we één kijker hebben gehad voor onze te koop staande woning. Ze zeggen altijd: je kunt wel honderd kijkers hebben, maar je hebt maar één koper nodig. Wij hadden het ongelooflijke geluk dat deze ene kijker ook de koper werd. In het slapste kwartaal sinds het begin van de crisis in 2008 wisten wij ons huis te verkopen. 

In de tijd dat ons huis te koop stond, bezichtigden wij van tijd tot tijd huizen in de grensstreek, aan Duitse kant welteverstaan. Duitse huizen zijn steevast groter, ruimer en hebben lappen grond die in geen verhouding staan tot de gemiddelde Nederlandse achtertuin. 

Omdat ik een vriendin heb die al over de grens woont, had ik haar huis al die tijd in mijn achterhoofd als maatstaf. Ik heb er vorige zomer een weekje gelogeerd toen zijzelf op vakantie was en dat was heel handig, want zo kon ik enkele dingen die het wonen over de grens met zich meebrengen, in de praktijk uittesten. 

We bezochten huizen die te groot waren, huizen die te klein waren, huizen die heel onhandig op de kavel lagen (gigantische voortuin en achter een strookje van drie meter), huizen met een krankzinnige indeling, nieuwe huizen, oude huizen, huizen waar je zo in kon en huizen waar eerst nog een half jaar aan verbouwd moest worden. We zagen huizen die zo verwaarloosd waren dat de makelaar ons de kelder niet durfde te laten zien omdat die waarschijnlijk vol water stond, huizen waar je de spinnenwebben opzij moest duwen om bij de roze jaren '70 badkamer te komen, huizen waar de kinderslaapkamer nog kleiner was dan die mijn dochter nu heeft, huizen die een prachtig uitzicht leken te hebben tot we een vrachtwagen zagen rijden en er dwars door dat bos een weg bleek te lopen, enzovoorts.

Op een zonnige dag bekeken we een huis op een zeer rustige locatie. Het voldeed aan praktisch al onze eisen; het was een huis met uitstraling, het lag op een mooie plek, de tuin lag goed ten opzichte van de zon, iedereen kon een eigen kamer hebben, de kavel was 800 vierkante meter, de staat was zo goed dat je er zo in kon, et cetera.

Alleen lag het naast het spoor.

Dat was erg jammer, want ik heb mezelf in 2001 (eigenlijk eerder) plechtig beloofd nooit meer in de buurt van een spoor te gaan wonen. Wij woonden ooit in een flat dat naast het spoor lag. Mijn tante woonde ertegenover en zei, voor we het kochten: "Die trein, die hóór je op een gegeven moment niet meer."

Waarna ik me er vier jaar lang, zevenendertig maal daags, te pletter aan heb geërgerd.

Nooit meer bij het spoor dus.

De makelaar was dezelfde mening toegedaan als mijn tante: Die trein hoor je amper. Het station is vlakbij, ze gaan daar heel langzaam.
Ja, maar er rijdt ook elke nacht een goederentrein en die stopt niet bij het station. Die dendert gewoon door en aangezien ik zelfs soms wakker word van de goederentrein die op drie kilometer afstand van mijn huidige huis voorbij raast, besloot ik dat het een dikke nee werd voor dat huis.

Tot verdriet van mijn man, want die zag dat huis helemaal zitten. Het wás ook een geweldig huis. We besloten dat huis als onze nieuwe standaard te beschouwen en alle volgende huizen daaraan af te meten.

Op een zeker moment bezichtigde ik samen met mijn dochter een huis, omdat mijn man die dag verhinderd was. Het bleek een verrassingshuis. Niet alleen verkeerde het zowel binnen als buiten in zeer nette staat, ook bleven er maar deuren opengaan waarna er weer onvermoede ruimtes verschenen. 

Ik wist: dit huis móet mijn man zien. Een afspraak voor een tweede bezichtiging was snel gemaakt. 

Ook mijn man was enthousiast. Het voldeed in praktisch alle opzichten aan onze eisen. Het was het huis aan het spoor, maar dan de plusversie ervan. 

In die tijd hadden we ons eigen huis nog niet verkocht, of waren we nog in het proces van bieden en tegenbieden verwikkeld, dat weet ik niet precies meer. Wel herinner ik me dat het erg spannend werd. Wij konden niets zolang ons eigen huis nog niet definitief verkocht was. Duitse banken kennen geen overbruggingskrediet of iets dergelijks en een hypotheek krijg je alleen als je schuldenvrij bent. Een spannende tijd brak aan, want stel dat er een andere gegadigde kwam die dat leuke huis voor onze neus wegpikte?

Dat gebeurde niet. Gelukkig!
Onze termijn van "onder voorbehoud verkocht" verstreek geruisloos, de Duitse bank ging akkoord met een eventuele financiering van het leuke huis, en toen begon het. Het leek wel of de weg bezaaid was met keien. De onderhandelingen verliepen op zijn zachtst gezegd traag en moeizaam. Zwemmen door dikke stroop met haaien erin. Ik begon de moed te verliezen. Waren we nu zo dichtbij en zou het toch nog mislopen? Strandden we in het zicht van de haven? We planden zelfs al bezichtigingen voor andere huizen.

Maar zoals het zo vaak gaat met iets dat zich moeizaam door een kleine opening wurmt; met een *plop* was alles er ineens doorheen en twee weken later zaten we bij de notaris het koopcontract te tekenen.

Het ging allemaal zo snel dat ik nog steeds niet helemaal kan geloven dat we dat huis echt hebben weten te kopen. Maar echt, het is zo, het wordt van ons!

Zes kamers, achthonderd vierkante meter grond, vijf kippen en genoeg zolder om er nog drie kamers bij te maken. Boven op een heuvel, vlak bij een bos, met uitzicht op het kasteel.

Ja, ik zal mijn prachtige tuin missen, maar ik krijg er een gigantische tuin voor terug. Ik ben al begonnen met mijn dierbaarste planten uit te graven of te delen, zodat zij mee kunnen verhuizen. 


~wordt ongetwijfeld vervolgd ~

Huis en tuin

Wat ruim een jaar geleden in gang werd gezet met de komst van de niet zo fijne nieuwe buren, begint eindelijk wezenlijk te worden. Midden in de crisis, op het moment dat de huizenmarkt op slot begon te gaan, zetten wij ons huis te koop. Vol vertrouwen, eerlijk gezegd, omdat we in een courante straat wonen en de huizen van diverse buren in het verleden altijd wel met een maand of drie, vier verkocht waren.

De fotograaf kwam midden in december, wat voor ons de slechtst mogelijke timing was, aangezien niet alleen Sint en Jezus die maand jarig zijn, maar mijn dochter eveneens, en zij werd ook nog eens getroffen door een geheimzinnig virus dat haar twee weken lang in bed dwong te blijven. Midden in die twee weken viel haar verjaardag. Dat is heel zielig, als je acht bent. In diezelfde periode beviel mijn zus een maand te vroeg van haar dochter en dat alles maakte dat ik niet bepaald relaxt op de fotograaf zat te wachten.

Mijn huis moest aan kant, aan kanter dan het ooit aan kant is geweest. Ongeveer zo aan kant als wanneer mijn schoonmoeder op bezoek kwam, maar dan in het tienvoudig kwadraat. Aangezien ons huishouden gewoonlijk een grote overeenkomst vertoont met de schilderijen van Jan Steen, wachtte mij een fikse taak. Want wie zijn huis te koop zet, moet het representatief op de foto's krijgen. En daarmee wordt bedoeld: spic en span, alsof het nieuw is, alsof er net verbouwd is en de verf nog maar net droog is, alsof je er eigenlijk helemaal niet weg wilde. Levendig maar niet persoonlijk, ruim maar gezellig. Alle foto's, tekeningen van mijn dochter, speelgoed, krabpaal/torenflat van de katten, spullen op het dressoir, ALLES moest weg wilde ik mijn huis volgens de ongeschreven regels van de huizenverkoopwereld op de foto krijgen.

Een volle week ben ik bezig geweest om het representatieve interieur te bewerkstelligen dat van me verwacht werd - denk je in, mijn dochter lag ziek op de bank en eiste ook met een zekere regelmaat mijn aandacht op - en toen het eindelijk klaar was dacht ik bij mezelf: Wat een akelige lege bende. Het was mijn huis, maar toch ook weer niet. Nee, een leeg, kaal, opgeruimd huis is aan mij echt niet besteed.

De fotograaf was een geval apart. Hij praatte namelijk alleen tegen mijn man. Als ik wat zei, negeerde hij dat en vervolgens richtte hij zich weer tot mijn man. Ik dacht er het mijne van, als het meezat zou ik hem nooit meer ontmoeten en dat is tot nog toe ook zo geweest.
De foto's werden inderdaad erg representatief. Hij gebruikte een enorme groothoeklens waardoor ons huis ongeveer twee keer zo groot leek. Mijn woonkamer leek wel een balzaal en op de foto's was het dressoir ongeveer acht meter lang en driehoekig van vorm. Maar dat was allemaal normaal, zei de makelaar, zo doen we dat altijd. Prima, dacht ik. Als het maar kijkers trekt.



En dat gebeurde. Twee dagen na kerst, toen ons huis net weer een Jan Steen-achtige gezelligheid had aangenomen, zou er een kijker komen. Dus weer dat hele riedel van opruimen.
En toen de kijker kwam, mijn dochter en ik de deur uit. Koud dat het was! Regenen! En geen buur thuis, dus maar een ommetje gemaakt. Uiteindelijk bij de dokter in de wachtkamer gaan zitten, een warme choco uit de automaat genomen en wat tijdschriften doorgebladerd tot de makelaar belde.
De kijker was enthousiast! Dat was een goed begin, vonden wij. In deze tijden!

Maar het bleef bij die ene kijker. Hierna bleef het angstvallig stil. Tot de makelaar belde: onze kijker wilde nog eens kijken! Dit keer met een medemakelaar.

Om een lang(dradig) verhaal kort te maken: midden in de crisis, op het moment dat de huizenmarkt compleet op slot zat en in het slechtste kwartaal sinds de jaren '80, verkochten wij ons huis aan de enige kijker die ooit is komen opdagen.

En wat er daarna gebeurde, vertel ik volgende keer.

Tuesday, 24 April 2012

De Serre


De serre
Het huis waar ik de eerste helft van mijn kindertijd doorbracht, had een serre. Het huis waar ik de tweede helft doorbracht, ook. Voor mij is een serre synoniem aan een lichte, zonnige, tuingerichte ruimte in huis waar bij voorkeur zo veel mogelijk tijd doorgebracht wordt wanneer het weer het niet toelaat om buiten te zitten.

De serre was de plek waar ’s middags na school thee gedronken werd, waar ik altijd zat te tekenen, waar de poezen in de zon lagen te slapen, waar de visite – mits niet te talrijk – werd onthaald. In de weekends was de serre de plek waar je de hele dag zat, van ontbijt tot het tijd voor het avondeten was. Licht en tuinzicht, wat wil een mens nog meer?

Mijn moeder zei wel eens gekscherend dat ze de rest van haar huis voor de sier had, want in de donkere voorkamer zaten we eigenlijk nooit en in de achterkamer we alleen wanneer er gegeten werd.
 Ik ben waarschijnlijk lichtelijk verwend doordat ik in herenhuizen van rond de eeuwwisseling ben opgegroeid. Ik wist als kind niet beter dan dat een gemiddelde kinderkamer zes bij vier is, dat een huis ruim twee keer zo veel kamers heeft als het aantal personen dat er woont, dat ieder huis van voor naar achter drie kamers telt en achter de voordeur een vestibule voordat de échte gang begint.

Het was hardhandig wakker worden toen ik mijn eerste baan had en ontdekte dat er volwassen mensen waren, met gezinnen, die in een huisje woonden dat in zijn geheel net zo veel vierkante meters besloeg als onze benedenverdieping. Ik was wellicht een tikje naïef.

Ik kijk graag op Funda om te zien hoe andere mensen hun huis hebben ingericht. Soms zijn huizen zo mooi, dat ik ze opsla op mijn computer in een mapje dat als een soort moodboard dient voor een toekomstig droomhuis. Soms zijn de huizen zo bedroevend dat het niet anders kan dan dat ze in 1982 zijn ingericht door de firma Kraak noch Smaak en er sindsdien niets meer aan is veranderd. Ik kan me bijna niet voorstellen dat iemand zoiets “thuis” zou noemen. Ik bedoel, je hebt smaken en die kunnen verschillen, maar je hebt ook huizen die, nou ja, gewoon niets uitstralen. Niet eens wansmaak, niet eens doorsnee-Ikea, maar gewoon Echt Helemaal Niets. 

Wat me ook opvalt, als ik te koop staande huizen van binnen begluur, is dat mensen zich vaak helemaal geen raad weten met hun serre. Zelden zie ik er een gezellige tuinkamer van gemaakt, zoals mijn moeder die heeft. Soms staan er enkel twee ongemakkelijke stoelen in, of een hondenmand en verder niks. Ik kan er met mijn verstand niet bij dat je in zo’n lichte, tuingerichte ruimte, waar het in het prille voorjaarszonnetje al zo aangenaam toeven is, niet zou willen zitten! 

Zouden mensen die net weten wat ze ermee aanmoeten, dezelfden zijn die het woord zo steevast verkeerd uitspreken? Met zo’n langgerekte è, alsof serre een afkorting is van misère? Misschien krijgen ze door die uitspraak al een negatieve associatie met die toch zo fijne ruimte die de overgang tussen binnen en buiten zo zacht markeert. Mensen, het is serre, niet sère. 

En je dient er te zitten, te genieten, boeken te lezen in het bleke voorjaarszonnetje, met grote potten thee erbij en een bos tulpen op tafel, en ’s zomers kun je er een soort verlengd terras van maken, als je de openslaande deuren opengooit en je in de serre ineens half binnen, half buiten zit. 

Tot slot nog een paar tips aan makelaars.
1.       Alle huizen staan op een unieke locatie. Alleen van flatwoningen en appartementen zou je nog enigszins kunnen beweren dat ze op een niet-unieke locatie gebouwd zijn.
2.       Wij trappen echt niet meer in termen als “kluswoning”, “uitdaging voor iemand met twee rechterhanden” of “huis met mogelijkheden”. Als het woord krot meer de lading dekt, zeg dan gewoon krot en trek de vraagprijs met minimaal 50.000 euro omlaag.
3.       Huizen die zogenaamd pas twee dagen te koop staan, en dat een half jaar later nog steeds: niet doen. Mensen die er elke dag langs rijden en nog altijd geen bezichtiging hebben aangevraagd, hebben überhaupt geen interesse, dus die trucjes kun je achterwege laten.
4.       Een plaatsje achter het huis van twee bij vijf meter op het noorden is géén zonnige ruime achtertuin.
5.       Termen als “levendige buurt” en “vlak bij uitvalswegen” betekenen gewoonlijk dat het huis naast een druk kruispunt staat met drie scholen en een supermarkt. 








Thursday, 16 February 2012

Huis te koop

In juli schreef ik het al: het werd tijd om te verhuizen. We hebben sindsdien bepaald niet stilgezeten, want verhuizen doe je niet zomaar, zeker niet in een tijd dat het er niet alleen op privévlak financieel niet al te best voor staat, maar de media ook nog dagelijks crisis schreeuwen.
Na een paar makelaars over de vloer te hebben gehad concludeerden we dat het wel het overwegen waard was, hier weggaan.

Die makelaars, dat was wel een verhaal apart.
De eerste die we hier lieten komen was degene die ons destijds dit huis heeft verkocht. Omdat hij toen, weliswaar verkopend makelaar, nogal zijn nek had uitgestoken voor ons, kopers, gunden we hem dit wel. We maakten meteen van de gelegenheid gebruik om ons te beklagen over het wanvolk dat naast ons woonde. Ja, dat huis heeft hij ook verkocht. Hij schrok er een beetje van, maar gaf ons toen wat welkome achtergrondinfo over ons nieuwe buurvolk en we begrepen dat we inderdaad maar beter konden verhuizen.

Echter, één makelaar maakt nog geen zomer dus we lieten, bij wijze van second opinion, nog een volgende ons huis bekijken.

Dit leverde een leuke anekdote op die we nog geregeld op verjaardagen zullen herhalen. De man, type glanzend maatpak en vlotte babbel, hield namelijk niet van onze interieursmaak en liet dat zo luid en duidelijk merken dat hij de prijs meteen met tienduizend euro verlaagde. Onze prachtige badkamer beschouwde hij als iets dat gegarandeerd kopers zou gaan afschrikken en mijn vrouwelijke touch in de woonkamer werd minachtend afgedaan als "rommel". Zijn grootste wapenfeit, waar hij voortdurend mee schermde, was de snelle wijze waarop hij de huizen uit zijn bestand steeds maar weer wist te verkopen. Tja, dachten wij, als je al je huizen te goedkoop in de markt zet zal dat wel blijven lukken.
Hij ging zo in zichzelf op dat hij niet merkte dat wij hem al hadden afschreven nog voor hij zijn tweede kop koffie leeg had.

De afschrikwekkende badkamer

"Rommel"


Hierna volgde een makelaardes (of makelaardin?) die niet uit onze stad kwam en daarom minder begeleiding kon bieden. Ook dachten wij dat een onbekende makelaar misschien tegen ons zou kunnen gaan werken; we zijn hier ten slotte in Twente en wat de boer niet kent dat vreet hij niet.

De makelaar die we uiteindelijk kozen, is een bekende die zo dicht bij ons staat dat we haar in onze zoektocht aanvankelijk volkomen over het hoofd zagen.

Intussen staat ons huis twee maanden te koop en is er één kijker geweest. Die is al wel twee keer geweest, dus dat is dan weer een lichtpuntje. Voor de rest... afwachten maar.

Sunday, 4 September 2011

Tea Time!

Gisteren heb ik mijn jaarlijkse tuinfeest weer gehouden. Voor het vijfde achtereenvolgende jaar hadden we schitterend weer! De grappen daarover (hoeveel ik Erwin Kroll had toegestopt en zo) waren natuurlijk niet van de lucht. Het was er echt superweer voor. Zo heerlijk warm, volgens mij was gisteren de mooiste dag van de hele zomer.

Vrijdag had ik de hele dag in de keuken gestaan om alle gerechten te maken, zodat ik me zaterdagmorgen alleen nog met de leuke dingen (tafel dekken, tuin versieren) hoefde bezig te houden.

Mijn dochter zorgde voor de bloemen; ik wilde eerst bloemen op de markt gaan kopen, maar dacht, we plukken wel het een en ander. Hier vlakbij is een vijver en een veldje, maar wat schetste mijn verbazing: we hebben alles uit eigen tuin kunnen halen!
Dat al mijn hortensia's volop in bloei staan hielp natuurlijk wel mee, zo'n grote bol vult een vaas al meteen lekker.

En ik vond bij Xenos lint in precies de juiste kleuren!

Ik heb overal in de tuin organza linten opgehangen, en ook kleine glazen vaasjes met wat bloempjes uit de tuin erin. Het zag er zó gezellig uit. Later, toen de etagères op tafel kwamen, heeft mijn dochter die ook nog versierd met kleine bloemetjes uit de tuin.




Het is zo leuk dat zij al kan helpen. Ze heeft het shortbread versierd, en de roosjes voor op de muffins gemaakt. En dus meegeholpen met de bloemetjes, want ze heeft daar echt al oog voor, zo schattig.

Tuesday, 5 July 2011

Huis en tuin


Tien jaar wonen we nu in het oosten van het land. Het was een soort vlucht; ons pasten de Randstedelijke drukte en hoge huizenprijzen niet. Toen mijn man de kans kreeg om via zijn werk intern over te stappen naar een locatie in de buurt van Enschede, hebben we nauwelijks geaarzeld, zelfs al kende ik Enschede alleen van de schaarse bezoekjes aan mijn vaders oudste broer, en de vuurwerkramp, die de stad een jaar eerder wereldwijd in het nieuws bracht. 

Nog een tikje overdonderd door al dat dorpse groen bezichtigden we eerst huizen in Enschede en Hengelo, maar realiseerden ons gelukkig op tijd dat dat net zo goed grote steden zijn als het jeneverstadje waar we vandaan kwamen. Een dorp leek ons een te grote overgang, dus werd het een huis aan de rand van een kleine stad. Een echt huis met een echte tuin. Want in deze hoek van het land paste zo’n huis wel in ons budget.

Helaas is in de loop der jaren de droom langzaam maar zeker verbrokkeld. Onze wijk werd uitgebreid, zodat we nu niet langer aan de rand maar praktisch midden in dat kleine provinciestadje wonen. De drukte nam hierdoor kwadratisch toe, want er is maar één toegangsweg om die duizenden nieuwe bewoners naar hun huis te leiden en die weg loopt bij nader inzien toch wel dicht langs ons huis. Mijn man verloor zijn baan, ik verloor mijn baan – crisis! – mijn man vond nieuw werk, ik niet, en ik ging schrijven, wat betekende dat mijn man een tweede functie als mecenas ging bekleden. Hierdoor en door de gezinsuitbreiding werd het er financieel niet bepaald beter op.

De uiteindelijke klap die onze droom deed instorten kwam van onze nieuwe buren. Geen prettig volk, om het zo maar even uit te drukken. Trainingspakken en gouden kettingen. Kratten bier. Tweedehands autoverkopers. Al op de dag dat ze de sleutel kregen, beseften we wat voor vlees we in de kuip hadden en laat ik het zo zeggen: het is nogal lawaaierig vlees. Heel lawaaierig. Ikzelf zou me, als ik ergens nieuw kwam wonen, een tikje gedeisd houden en mijn nieuwe buren zo min mogelijk overlast proberen te bezorgen. Zo niet de nieuwen hiernaast. Zonder scrupules, misschien te dom om überhaupt te beseffen dat iemand wel eens last van je zou kunnen hebben, ging nog geen uur na de sleuteloverdracht de radio hard en werd met een man of dertig, veertig (en dat galmt lekker, zo’n leeg huis) en flink wat bier het heuglijke feit gevierd. 

Nu gun ik iedereen zijn pleziertjes, maar er bestaan dus kennelijk mensen die denken dat iedereen van Jan Smit, Nick en Simon en nog jammerlijker “piratenmuziek” houdt. Nu ben ik zelf niet vies van twee andere uitersten, klassiek en black metal, maar ik zorg er tenminste altijd voor dat niemand met mijn muziek geconfronteerd wordt en als ik het bloedhard wil horen, doe ik dat in de auto of ik zet m’n koptelefoon op. Enfin, aan “piratenmuziek” erger ik me dusdanig dat ik er lichtelijk agressief van word, en als ik het langer dan een minuut moet aanhoren raak ik buiten mezelf.

Sinds de nieuwe buren er waren, hadden mijn man en ik om de haverklap slaande ruzie. Ik besefte maar al te goed wat daar de oorzaak van was, en voelde me enorm leeg en treurig van binnen. Mijn huis, mijn tuin, mijn fijne plek en veilige haven, waren door de nieuwe buren gereduceerd tot “zomaar een plek”. Een plek waar de wereld binnenkomt, waar kennelijk andermans wetten gelden en niet de mijne. Waar ik niet meer rustig kan zitten om van mijn bloemen te genieten met een kop thee en een dik boek. Waar ik niet langer kon mijmeren om vervolgens vol inspiratie aan het schrijven te gaan. 

Nadat de termijn van “het voordeel van de twijfel” verstreken was en ik moest concluderen dat mijn buren eerder meer overlast zouden gaan bezorgen dan minder (ik zou me kapot schamen als ik ergens een maand woon en de buurvrouw hangt om één uur ’s nachts uit het raam om te vragen of het wat zachter mag daar in die achtertuin, maar mijn nieuwe buren gingen na een snierend excuus gewoon tot half drie door, en de weekends erna was het niet anders). Ik stelde me zo voor dat ik nooit meer met open raam zou kunnen slapen, dat ik nooit meer rustig in mijn tuin zou kunnen zitten, vooral niet op mooie zomeravonden, dat ik nooit meer buiten met de laptop zou kunnen werken, wat altijd zo inspirerend was.

We hadden al langere tijd het idee om “ooit” te verhuizen, maar de komst van de nieuwe buren leek de schop onder onze kont om “ooit” om te zetten naar iets concreets. 

Over wat al dat concreets allemaal inhoudt, vertel ik volgende keer.



Monday, 23 May 2011

Ochtendritueel

Iedereen heeft zo zijn ochtendrituelen.

Mijn dag begint altijd te vroeg (ik ben bepaald geen ochtendmens), waarna het haasten is om mijn dochter tijdig in haar kleren, door haar Brinta en op school te krijgen. Meestal lukt dat op de valreep. Mijn dochter is net als ik 's morgens niet vooruit te branden.

Daarna terug naar huis. Het is dan stil op straat; de scholen zijn inmiddels begonnen, de forensen zitten op hun werk (of staan in de file). Wanneer ik door het bomenlaantje terug naar huis fiets, verandert er iets in mij. Door de combinatie van vogelgezang en gefilterd licht tussen de bladeren door, verlaat het gejaagde gevoel mijn lijf.

Omdat ik achterom moet vanwege mijn fiets, sta ik bij thuiskomst meteen in mijn achtertuin. Die ligt op het zuidoosten en baadt op dit uur in de zon. Voor de ramen van de tuindeuren twee poezenkoppies die verlangend naar mij en de tuin kijken. Links in de tuin het hok met de twee konijnen die dol worden, want ook zij kennen het ritueel: ’s morgens als ik terug ben krijgen alle dieren eten, en de konijnen het eerst.

Ze heten Snuf en Grommel, een Hollandertje en een dwerg. Grom is de jongste en de dwerg, maar desalniettemin (of juist daardoor?) de felste. Woest grommend (vandaar de naam) probeert hij elke morgen weer die gemene hand te aan te vallen die zo brutaal is zijn etensbak aan te raken. De keren dat hij in al zijn razernij de bak uit mijn hand sloeg en de korrels alle kanten op vlogen, zijn niet meer te tellen.


Na deze dagelijkse beproeving zijn de katten aan de beurt. Dat weten ze, en in plaats van twee verlangende koppies zie ik nu twee zenuwachtig heen en weer ijsberende roofdieren, die zich, zodra ik binnen stap, miauwend om mijn benen wikkelen.

Grote Poes krijgt haar eten op het aanrecht, bij het keukenraam. Dat is niet hygiënisch (hygisch, zei een collega altijd, en dat beklijfde in mijn woordenschat, waardoor ik altijd dubbel moet controleren of ik het wel goed geschreven heb), maar het is de enige manier om te voorkomen dat Kleine Poes, dat vreetmonstertje (want in de groei) voortijdig dik wordt. Zij kan nog niet op het aanrecht komen en zo heeft Grote Poes ook meteen een plekje waar ze zich kan terugtrekken als ze even geen zin heeft in kinderachtige kittenspelletjes.

Toch, erg rustig zit ze daar niet op het moment. Een merelechtpaar heeft het nest in de klimroos weer in gebruik genomen, en nu de eieren uit zijn is het een af en aan gevlieg met snavels vol wormen.
Maar ja, die kat hè. Elke keer als ze langs ons keukenraam komen, zit daar die kat, dat levensgevaarlijke, vogelsetende monster. Het “monster” zelf, volkomen onschadelijk door de ruit die ertussen zit, kan niet anders dan vergenoegd klapperbekmiauwen wanneer vader merel weer eens half stoer, half bang en luidkeels tjip-tjip-tjippend op de vensterbank neerstrijkt.



Eén jong heeft het nest voortijdig verlaten en dat is geen fraai gezicht. Het arme jong, een en al grauw dons en halfvolgroeide vleugelpennen, is verstrikt geraakt tussen de doorns en ter plekke gestorven. En dat hangt nu dus vol in het zicht voor ons keukenraam, het kopje aandoenlijk bungelend aan het aangevreten nekje.
Terug naar die zonnige ochtend maar weer. Als de poezen hun eten hebben, zijn de vissen in de vijver aan de beurt. We hadden er 22, tot de reiger op bezoek kwam. Gelukkig is de vijver in het midden vrij diep en heeft ongeveer de helft het overleefd. 

Er wonen niet alleen vissen. Hele families schaatsenrijdertjes, libelles en waterjuffers resideren er, en het is ook een geliefde drinkplek voor vogeltjes.
De kikkervisjes zitten in de andere vijver, want in de visvijver groeiden ze nooit uit tot kikkers, maar werden ze gereduceerd tot goudvissenvoer. 

Als dan eindelijk al het beestenspul voorzien is, is het mijn beurt. Terwijl ik wacht op de waterkoker, maak ik een rondje door de tuin. Hier en daar haal ik voor de vorm een uitgebloeid bloemetje weg, of ik maak wat foto's, maar voor het grootste deel is het gewoon genieten van wat ik heb. Ik houd van romantische tuinen en dat betekent op die postzegel van mij een overdaad aan blauw, wit, roze en paars bloeiende planten.


Rood, geel en oranje zijn niet welkom in mijn tuin (prompt kwam m’n schoonmoeder met Coreopsis aanzetten), dat is mij te schreeuwerig. Alleen in het voorjaar, als alles nog winters en kaal is, mogen de felle tulpen en knallende narcissen het voorjaar inluiden. Tegen de tijd dat die uitgebloeid zijn, komt het andere spul op en verdwijnt het dor geworden loof tussen het opschietende groen.

Ik ben namelijk een luie tuinier en precies daarom staat mijn tuin zo vol met planten. Er is geen stukje zwarte aarde te zien. Het grappige vind ik altijd dat mensen die niet van tuinieren houden en desondanks een tuin hebben, deze truc niet kennen en vaak van die enorme vlakken “niks” tussen hun planten hebben. Waardoor ze al met al veel meer tijd kwijt zijn aan het onderhoud dan ik, want reken maar dat zich op die vruchtbare stukken “niks” heel wat onkruid nestelt! 

Bij mij is eenvoudigweg geen plek voor onkruid en mocht  er eens iets omhoog komen dat ik niet direct herken, dan krijgt het van mij altijd een kans. De ene keer is dat mis gegokt en kan ik anderhalve maand later een draak van een onkruidplant uitgraven, maar vaak zijn het cadeautjes van Moeder Natuur. Het grasklokje bijvoorbeeld, is zomaar komen aanwaaien. Die mocht dus blijven, en zie, in mijn schaduwhoekje, waar ik alleen witte bloemen heb neergezet, muteerde hij vanzelf naar de witte vorm.




Mijn ervaring is dat een tuin op zijn mooist wordt als je de natuur een beetje zijn gang laat gaan. Als planten de ruimte krijgen en zichzelf mogen zijn. Het zijn net mensen! Ook die bloeien op hun mooist als ze de ruimte krijgen en zichzelf mogen zijn.

Zo zit ik dan ’s morgens met mijn kopje thee en mijn zelfgebakken boterhammetje met honing een beetje in het zonnetje zit te mijmeren, terwijl de poezen hún rondje door de tuin maken en boven mij het gekwetter van de boerenzwaluwtjes klinkt.


En dan denk ik soms terug aan de tijd dat ik buitenshuis werkte, dat ik ’s morgens met mijn duffe hoofd onder kil Tl-licht in het diepe werd gegooid en het geklaag van klanten moest aanhoren en hun problemen moest oplossen. En rap wat.

De tijd waarin we het financieel stukken ruimer hadden dan nu, maar ook: de tijd waarin ik nauwelijks aan mezelf toe kwam, waarin mijn werkelijke behoeften nauwelijks vervuld werden. De tijd van moeten, de tijd waarin ’s morgens in de tuin ontbijten een luxe was voor paas- en Moederdagen. 

Het geld heb ik gedag gezegd, mijn rust met open armen verwelkomd. Ik liep mezelf al jarenlang voorbij en was me geen moment bewust van waar ik was. Nu wel, ik kan bijna niet anders. Waar kun je anders zijn dan “hier” en “in het nu” als Moeder Natuur je overstelpt met cadeaus?
En ik ben ervan overtuigd dat iedereen, altijd, overal, zulke geschenkjes krijgt, die je even terughalen naar het hier en nu. Je moet ze alleen wel herkennen. En tot je hart laten doordringen.



Dan nu, uitgemijmerd, thee en boterhammen op, ga ik aan het werk. Want ik ben heus niet gestopt met werken, ik doe nu werk dat bij me past en me vervulling geeft. 

Ik schrijf.


Sunday, 15 May 2011

Poes nummer zeven

Anderhalve week geleden stond de meivakantie voor de deur en omdat we die week allemaal vrij waren kwam het mooi uit dat poes nummer zeven precies dertien weken was. Want dan mogen ze het huis uit, raskatten. Kleine Poes is een raskat. Een Brits Korthaar. Net zo een als poes nummer vier. Want ook dat was een Brit. Britten zijn stevige, ronde, ietwat dommige katten. Een beetje traag ook, maar desondanks uitstekende muizenvangers. Het leuke is dat Kleine Poes bij dezelfde fokker vandaan komt.

Afgelopen najaar droomde ik van onze gestreepte nummer zes in een vriendschappelijke staartomhelzing met een blauwe Brit. Stomtoevallig (?) had in diezelfde periode onze oude fokker twee van haar poezen laten dekken. Eind januari zijn er vier kittens geboren. In maart gingen we voor het eerst kijken. Het werd nog even emotioneel toen ik twee jaar na het verscheiden van poes nummer vier ineens weer allemaal exemplaren van dat ras zag.

De kittens waren nog kleine pluizebollen met blauwe oogjes, en de moederpoes leek sprekend op Vitje, poes vier. Er waren twee jongenskittens en twee meisjes, en in plaats dat wij er een uitkozen, lieten wij de kittens beslissen. Een van de meisjespoesjes kwam nieuwsgierig op ons af, en laat dat nou net degene zijn die het meest op Vitje in z'n jonge jaren leek. Die werd het dus.

Vitje (een verbastering van haar officiële stamboomnaam Vichy) heeft vijftien jaar bij ons gewoond. Die laatste zes jaar waren een cadeautje. In 1999 had de dierenarts een hartkwaal ontdekt. We moesten in onze handen knijpen als-ie tien zou worden. In 2003 was het zo ver: Vits had de ongelooflijke leeftijd van tien jaar bereikt. Ik was zwanger en fluisterde in Vitjes oor dat hij nog minstens vier jaar moest blijven, zodat ons kind hem zich later zou herinneren.

Vlak na mijn dochters vijfde verjaardag ging het bergafwaarts met Vits' gezondheid en twee maanden later hadden we in plaats van een kat alleen nog maar een beklemmende leegte in huis.
Ik stelde me zo voor dat geen enkele kat Vitje kon vervangen, dus haalden we er twee uit het asiel. Een kleine misrekening, want de twee die wij uitkozen konden op zijn zachtst gezegd niet met elkaar overweg. Waar de grote zwarte kater met z'n dikke buik de woonkamer binnenschommelde, een mandje ontwaarde en er tevreden in ging liggen snorren alsof hij al jaren bij ons woonde, bleef Poedie, de streep, een nerveuze schicht die van pure ellende op onze bedden piste.

Omdat ik niet het idee had dat deze karakters ooit verenigd konden worden, moest er eentje terug naar het asiel. Zelden heb ik zo'n afschuwelijke beslissing moeten nemen. Bovendien: twee keer in een maand definitief afscheid nemen van een kat is voor een volwassene al niet leuk, laat staan voor mijn toen vijfjarige dochter.
U zult misschien verwachten dat het voor de hand lag de schichtige streep retour asiel te doen, maar ik redeneerde precies andersom: die kleine was zó vreselijk gestrest en labiel, die zou er misschien aan onderdoor gaan als ze nu weer terug moest. Die grote zwarte daarentegen liet zich nergens door uit zijn evenwicht brengen en zou een retourtje asiel beter kunnen behappen.
En dat bleek ook. We lieten hem uit het reismandje, hij keek niet eens om zich heen en stapte zo naar de brokken toe, waarna hij in zijn vertrouwde hangmand ging liggen waar we hem een week eerder hadden gevonden.

Natuurlijk voelde ik me schuldig, en dat werd alleen nog maar erger toen het naderhand nog dik een half jaar duurde eer hij een nieuw huis vond. Maar Poedie floreerde. Voor het eerst in haar leven was ze 'enig poes'. De eerste vier jaar van haar leven had ze samen met haar zusje Liesje doorgebracht. In die tijd heette Poedie overigens Lotje. Dat hebben we dus snel veranderd, want een achterlijker naam voor een kat kan ik me nauwelijks indenken (iets waar Philip Freriks het overigens gloeiend mee eens is, las ik tot mijn tevredenheid in zijn boekje Les Chats de Lili).

Poedie bloeide op en werd een relaxte, mensgerichte schootzitter. Van de gestreste schicht was niet veel meer over.
Toch bekroop me steeds vaker het idee dat Poedie een beetje met haar ziel onder haar arm rondliep - voor zover katten een ziel hebben, daar zijn de geleerden het nog niet over eens. Terwijl ik, omdat ik thuis werk, toch vrijwel altijd in haar buurt ben, altijd aanspreekbaar, altijd in voor een aai of even spelen. Het was net of ze aan het contact met mij niet helemaal genoeg had.
Nou ja, en toen kreeg ik dus die droom.

Met de ervaringen met Zwartje in ons achterhoofd, was het natuurlijk uiterst spannend hoe Poedie zou reageren op de komst van poes nummer zeven, Vitje 2. Ik denk dat ik me voor niets zorgen heb gemaakt. Natuurlijk werd er gegromd en geblazen, en natuurlijk liet Poedie me weten niet gecharmeerd te zijn van die halfwas pluizenbol die als een gestoorde over de planken vloer slipte, maar die gestreste, op het bed pissende schicht die ik enigszins verwachtte, zag ik niet terug.

Al na een week gaven ze elkaar - weliswaar voorzichtig - een neusje en terwijl ik dit typ liggen de twee dames met nog geen dertig centimeter tussenruimte te pitten op het logeerbed.


En nee, Kleine Poes heeft dus nog geen naam. Ja, zo'n dure naam op haar stamboom, maar dat ga je echt niet roepen als er gegeten moet worden. Bij ons moet een poezennaam altijd groeien. Dikke kans dat ze over een tijdje een prima roepnaam heeft die perfect bij haar past.

Sunday, 8 May 2011

Koud

Het was vandaag om en nabij de dertig graden. Terwijl ik fietste door de heuvels van Twente, dacht ik terug aan precies een jaar geleden, toen we op vakantie waren in Zuid-Frankrijk.
Ik schreef er destijds het volgende over:

Bij kou denk je aan Antarctica. Aan pinguïns die op een kluit staan te kleumen. Aan afgelopen winter. Aan de Elfstedentocht van ’63. Maar niet aan Zuid-Frankrijk in mei.

Voor de zekerheid had ik ‘iets warms’ meegenomen. Dat doe ik altijd als ik op vakantie ga. Een vest, dus. Dat vest, mag u best weten, heb ik veertien dagen lang gedragen. En nachten. Want al had onze gîte een kacheltje en ging er in die twee weken een kuub hout doorheen; op de slaapkamers, die een verdieping lager lagen, was geen warmte. Geen warmte, maar wel vocht. Want het was niet alleen koud, ook regende het. Niet zo’n slap regentje dat we in Nederland kennen, maar bakstenen. Etmalen lang.
En dat trok op, door de grofstenen muren naar boven, en van daaruit naar binnen. De eerste nacht probeerde ik het in mijn nachthemd en met een enkel dekbed. Rond tweeën ging ik, het risico op de koop toe nemend dat mijn gezin wakker werd (de houten vloeren hadden vanwege de weersomstandigheden nogal wat speling), op zoek naar een deken en vond er een onder in een kast. Eén. Ik legde hem dubbel over mijn dekbed, trok mijn enige paar dikke sokken aan en huiverde tot het ochtend was. Toen ik wakker werd regende het nog steeds en voelde ik het puntje van mijn neus niet meer.

Het was vijf graden. Overdag. Ik weet niet hoe koud het ’s nachts is geweest, maar kreeg terstond medelijden met de boerengezinnen die honderden jaren lang deze huisjes bewoond hebben.

De tweede nacht hield ik mijn vest aan. En een legging. En mijn dikke sokken. En daaroverheen nog een stel sokken. Voorafgaand aan de derde nacht ontdekte ik tot mijn onuitsprekelijke geluk een tweetal fleece dekens in de kofferbak van onze auto, die ik mij zonder enig overleg toe-eigende.

Het kacheltje in de woonkamer maakte overuren. Vaak staken we het ’s morgens vroeg al aan omdat de temperatuur in de kamer niet te harden was, ik schat zo’n graad of twaalf. Met een beetje geluk duurde het een uur of drie voor het ‘lekker’ begon te worden. Eén keer wisten we het kacheltje zo op te stoken dat ik mijn vest uit kon doen.

Er waren dagen dat het minder regende, zelfs dagen dat het een paar uur droog was. We zijn naar stadjes en dorpjes in de omgeving geweest, hebben wandelingen gemaakt en de prachtigste rondritten, en kastelen en ruïnes bezocht. Maar buiten ontbeten, zoals afgelopen zomer, hebben we nooit. Eén keer ging ’s avonds, twintig minuten voor hij achter de heuvels verdween, de zon als een gek schijnen. We hebben onze jassen aangetrokken en hebben ruim een kwartier zitten genieten. Toen hij weg was, was het meteen uit met de pret en nestelden we ons weer voor het kacheltje.

Ik sliep onder vier dekens en een dekbed, met twee paar sokken aan en mijn vest, en had het eindelijk een beetje warm in mijn bed. Het ergst echter waren de ochtenden. Want dan moest alles uit. Dat moment schoof ik steevast zo ver mogelijk voor me uit. Maar het moest toch. En dan kreeg ik meteen weer medelijden met die arme boertjes van vroeger en kwamen de verhalen bovendrijven van mijn vader die in de Hongerwinter elke morgen een laagje ijs op het water van zijn lampetkan moest kapotbreken voor hij zich kon wassen. En omdat het zo vochtigkil was, waren de kleren die ik vervolgens aan wilde doen, steevast een beetje klammig-koud. En dan kom je een koude woonkamer binnen, waar het nog minstens drie uur duurt voor het een beetje aangenaam is. Liters hete thee gingen er doorheen.

Omdat ik allemaal zomerjurkjes meegenomen had, een badpak, wat rokjes en shirts en één vest, werden ook de dagen gekenmerkt door verkleumde ledematen. De temperaturen vroegen om een winterjas, om sjaals, wanten en capuchons, maar ik had alleen een dun jack. En mijn vest.

Het gekke was dat ik het ergens wel grappig vond, dat afzien. Het gaf de vakantie iets onverwacht avontuurlijks. Iets puurs, natuurlijks, van op jezelf aangewezen zijn en overgeleverd aan de elementen.

De een na laatste dag kreeg ik een ingeving heb ik mezelf een stukje welverdiende warmte cadeau gedaan. Ik vulde een limonadefles met heet water, en legde die in mijn bed. Op hoop van zegen. Het ging goed, en eindelijk, na twaalf nachten blauwbekken, had ik het eens warm.

De mensen van wie we het huisje huurden zeiden dat het uitzonderlijk was, zulk slecht en koud weer in deze tijd van het jaar. Wie weet is dat echt zo. Maar volgende keer ga ik gewoon weer in de zomer. ;-)

Thursday, 21 April 2011

Ruimteschip Aarde

Soms vraag ik me af; stel nou dat de wereld af zou koelen door de manier waarop de mens met het milieu omgaat. Afkoelen, in plaats van opwarmen. Nieuwe ijstijden, lappen gletsjer tot aan de keerkringen. Zou men zich dan wél druk gaan maken? 

Waarschijnlijk wel. Want opwarming, dat is kennelijk niet zo erg. Men gaat nog altijd massaal op vakantie naar warme oorden. Want warm is fijn, niet angstaanjagend. Dus opwarming van de aarde, dat is iets waarover je je bij lange na niet druk hoeft te maken. Sterker nog: het is een prettig vooruitzicht. Lekker, warm.

Ik vind het een ongemakkelijk vooruitzicht. Ook omdat ik aan alle kanten merk dat men er maar weinig aan gelegen is om echt wat te doen aan de enorme CO2-wolk die wij met zijn allen produceren. Economie en comfort wegen schijnbaar nog altijd zwaarder. Waarom men in deze tijd van financiële crisis niet meteen de koe bij de hoorns vat en twee vliegen in één klap probeert te slaan, is mij dan ook volslagen duister. Grote autofabrikanten bijna failliet, waarom gaan die niet als een razende elektrische of waterstofauto’s ontwikkelen? Dat is de toekomst! 

Maar nee, liever komen ze met een halfslachtig reorganisatieplan en houden ze hun hand op bij de regering. En het land met de grootste economische groei van de wereld, China, opent maar liefst elke vijf dagen een nieuwe kolencentrale. Kólen! Is me dat even 19e-eeuws. Waarom gebruiken ze die 10% groei niet om te investeren in duurzame oplossingen en écht een vooruitstrevend land te worden? China zou een voorbeeld kunnen zijn voor de rest van de wereld. 

Gemiste kansen, dat is wat me als eerste te binnen schiet als ik foto’s van onze mooie aardbol zie die vanuit de ruimte zijn gemaakt. Veel te weinig mensen realiseren zich dat die bal waarop wij met zijn allen wonen, geen onuitputtelijke bron is, maar ons ruimteschip, ons vervoermiddel door het heelal. Als onze aarde uitgeput is, is er geen alternatief. Geen kapitein die het goedkeurt dat zijn manschappen het schip op volle zee aan flarden hakken. 


Ruimteschip Aarde verscheen eerder als column in dagblad De Pers