zondag 15 mei 2011

Poes nummer zeven

Anderhalve week geleden stond de meivakantie voor de deur en omdat we die week allemaal vrij waren kwam het mooi uit dat poes nummer zeven precies dertien weken was. Want dan mogen ze het huis uit, raskatten. Kleine Poes is een raskat. Een Brits Korthaar. Net zo een als poes nummer vier. Want ook dat was een Brit. Britten zijn stevige, ronde, ietwat dommige katten. Een beetje traag ook, maar desondanks uitstekende muizenvangers. Het leuke is dat Kleine Poes bij dezelfde fokker vandaan komt.

Afgelopen najaar droomde ik van onze gestreepte nummer zes in een vriendschappelijke staartomhelzing met een blauwe Brit. Stomtoevallig (?) had in diezelfde periode onze oude fokker twee van haar poezen laten dekken. Eind januari zijn er vier kittens geboren. In maart gingen we voor het eerst kijken. Het werd nog even emotioneel toen ik twee jaar na het verscheiden van poes nummer vier ineens weer allemaal exemplaren van dat ras zag.

De kittens waren nog kleine pluizebollen met blauwe oogjes, en de moederpoes leek sprekend op Vitje, poes vier. Er waren twee jongenskittens en twee meisjes, en in plaats dat wij er een uitkozen, lieten wij de kittens beslissen. Een van de meisjespoesjes kwam nieuwsgierig op ons af, en laat dat nou net degene zijn die het meest op Vitje in z'n jonge jaren leek. Die werd het dus.

Vitje (een verbastering van haar officiële stamboomnaam Vichy) heeft vijftien jaar bij ons gewoond. Die laatste zes jaar waren een cadeautje. In 1999 had de dierenarts een hartkwaal ontdekt. We moesten in onze handen knijpen als-ie tien zou worden. In 2003 was het zo ver: Vits had de ongelooflijke leeftijd van tien jaar bereikt. Ik was zwanger en fluisterde in Vitjes oor dat hij nog minstens vier jaar moest blijven, zodat ons kind hem zich later zou herinneren.

Vlak na mijn dochters vijfde verjaardag ging het bergafwaarts met Vits' gezondheid en twee maanden later hadden we in plaats van een kat alleen nog maar een beklemmende leegte in huis.
Ik stelde me zo voor dat geen enkele kat Vitje kon vervangen, dus haalden we er twee uit het asiel. Een kleine misrekening, want de twee die wij uitkozen konden op zijn zachtst gezegd niet met elkaar overweg. Waar de grote zwarte kater met z'n dikke buik de woonkamer binnenschommelde, een mandje ontwaarde en er tevreden in ging liggen snorren alsof hij al jaren bij ons woonde, bleef Poedie, de streep, een nerveuze schicht die van pure ellende op onze bedden piste.

Omdat ik niet het idee had dat deze karakters ooit verenigd konden worden, moest er eentje terug naar het asiel. Zelden heb ik zo'n afschuwelijke beslissing moeten nemen. Bovendien: twee keer in een maand definitief afscheid nemen van een kat is voor een volwassene al niet leuk, laat staan voor mijn toen vijfjarige dochter.
U zult misschien verwachten dat het voor de hand lag de schichtige streep retour asiel te doen, maar ik redeneerde precies andersom: die kleine was zó vreselijk gestrest en labiel, die zou er misschien aan onderdoor gaan als ze nu weer terug moest. Die grote zwarte daarentegen liet zich nergens door uit zijn evenwicht brengen en zou een retourtje asiel beter kunnen behappen.
En dat bleek ook. We lieten hem uit het reismandje, hij keek niet eens om zich heen en stapte zo naar de brokken toe, waarna hij in zijn vertrouwde hangmand ging liggen waar we hem een week eerder hadden gevonden.

Natuurlijk voelde ik me schuldig, en dat werd alleen nog maar erger toen het naderhand nog dik een half jaar duurde eer hij een nieuw huis vond. Maar Poedie floreerde. Voor het eerst in haar leven was ze 'enig poes'. De eerste vier jaar van haar leven had ze samen met haar zusje Liesje doorgebracht. In die tijd heette Poedie overigens Lotje. Dat hebben we dus snel veranderd, want een achterlijker naam voor een kat kan ik me nauwelijks indenken (iets waar Philip Freriks het overigens gloeiend mee eens is, las ik tot mijn tevredenheid in zijn boekje Les Chats de Lili).

Poedie bloeide op en werd een relaxte, mensgerichte schootzitter. Van de gestreste schicht was niet veel meer over.
Toch bekroop me steeds vaker het idee dat Poedie een beetje met haar ziel onder haar arm rondliep - voor zover katten een ziel hebben, daar zijn de geleerden het nog niet over eens. Terwijl ik, omdat ik thuis werk, toch vrijwel altijd in haar buurt ben, altijd aanspreekbaar, altijd in voor een aai of even spelen. Het was net of ze aan het contact met mij niet helemaal genoeg had.
Nou ja, en toen kreeg ik dus die droom.

Met de ervaringen met Zwartje in ons achterhoofd, was het natuurlijk uiterst spannend hoe Poedie zou reageren op de komst van poes nummer zeven, Vitje 2. Ik denk dat ik me voor niets zorgen heb gemaakt. Natuurlijk werd er gegromd en geblazen, en natuurlijk liet Poedie me weten niet gecharmeerd te zijn van die halfwas pluizenbol die als een gestoorde over de planken vloer slipte, maar die gestreste, op het bed pissende schicht die ik enigszins verwachtte, zag ik niet terug.

Al na een week gaven ze elkaar - weliswaar voorzichtig - een neusje en terwijl ik dit typ liggen de twee dames met nog geen dertig centimeter tussenruimte te pitten op het logeerbed.


En nee, Kleine Poes heeft dus nog geen naam. Ja, zo'n dure naam op haar stamboom, maar dat ga je echt niet roepen als er gegeten moet worden. Bij ons moet een poezennaam altijd groeien. Dikke kans dat ze over een tijdje een prima roepnaam heeft die perfect bij haar past.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen