zondag 8 mei 2011

Koud

Het was vandaag om en nabij de dertig graden. Terwijl ik fietste door de heuvels van Twente, dacht ik terug aan precies een jaar geleden, toen we op vakantie waren in Zuid-Frankrijk.
Ik schreef er destijds het volgende over:

Bij kou denk je aan Antarctica. Aan pinguïns die op een kluit staan te kleumen. Aan afgelopen winter. Aan de Elfstedentocht van ’63. Maar niet aan Zuid-Frankrijk in mei.

Voor de zekerheid had ik ‘iets warms’ meegenomen. Dat doe ik altijd als ik op vakantie ga. Een vest, dus. Dat vest, mag u best weten, heb ik veertien dagen lang gedragen. En nachten. Want al had onze gîte een kacheltje en ging er in die twee weken een kuub hout doorheen; op de slaapkamers, die een verdieping lager lagen, was geen warmte. Geen warmte, maar wel vocht. Want het was niet alleen koud, ook regende het. Niet zo’n slap regentje dat we in Nederland kennen, maar bakstenen. Etmalen lang.
En dat trok op, door de grofstenen muren naar boven, en van daaruit naar binnen. De eerste nacht probeerde ik het in mijn nachthemd en met een enkel dekbed. Rond tweeën ging ik, het risico op de koop toe nemend dat mijn gezin wakker werd (de houten vloeren hadden vanwege de weersomstandigheden nogal wat speling), op zoek naar een deken en vond er een onder in een kast. Eén. Ik legde hem dubbel over mijn dekbed, trok mijn enige paar dikke sokken aan en huiverde tot het ochtend was. Toen ik wakker werd regende het nog steeds en voelde ik het puntje van mijn neus niet meer.

Het was vijf graden. Overdag. Ik weet niet hoe koud het ’s nachts is geweest, maar kreeg terstond medelijden met de boerengezinnen die honderden jaren lang deze huisjes bewoond hebben.

De tweede nacht hield ik mijn vest aan. En een legging. En mijn dikke sokken. En daaroverheen nog een stel sokken. Voorafgaand aan de derde nacht ontdekte ik tot mijn onuitsprekelijke geluk een tweetal fleece dekens in de kofferbak van onze auto, die ik mij zonder enig overleg toe-eigende.

Het kacheltje in de woonkamer maakte overuren. Vaak staken we het ’s morgens vroeg al aan omdat de temperatuur in de kamer niet te harden was, ik schat zo’n graad of twaalf. Met een beetje geluk duurde het een uur of drie voor het ‘lekker’ begon te worden. Eén keer wisten we het kacheltje zo op te stoken dat ik mijn vest uit kon doen.

Er waren dagen dat het minder regende, zelfs dagen dat het een paar uur droog was. We zijn naar stadjes en dorpjes in de omgeving geweest, hebben wandelingen gemaakt en de prachtigste rondritten, en kastelen en ruïnes bezocht. Maar buiten ontbeten, zoals afgelopen zomer, hebben we nooit. Eén keer ging ’s avonds, twintig minuten voor hij achter de heuvels verdween, de zon als een gek schijnen. We hebben onze jassen aangetrokken en hebben ruim een kwartier zitten genieten. Toen hij weg was, was het meteen uit met de pret en nestelden we ons weer voor het kacheltje.

Ik sliep onder vier dekens en een dekbed, met twee paar sokken aan en mijn vest, en had het eindelijk een beetje warm in mijn bed. Het ergst echter waren de ochtenden. Want dan moest alles uit. Dat moment schoof ik steevast zo ver mogelijk voor me uit. Maar het moest toch. En dan kreeg ik meteen weer medelijden met die arme boertjes van vroeger en kwamen de verhalen bovendrijven van mijn vader die in de Hongerwinter elke morgen een laagje ijs op het water van zijn lampetkan moest kapotbreken voor hij zich kon wassen. En omdat het zo vochtigkil was, waren de kleren die ik vervolgens aan wilde doen, steevast een beetje klammig-koud. En dan kom je een koude woonkamer binnen, waar het nog minstens drie uur duurt voor het een beetje aangenaam is. Liters hete thee gingen er doorheen.

Omdat ik allemaal zomerjurkjes meegenomen had, een badpak, wat rokjes en shirts en één vest, werden ook de dagen gekenmerkt door verkleumde ledematen. De temperaturen vroegen om een winterjas, om sjaals, wanten en capuchons, maar ik had alleen een dun jack. En mijn vest.

Het gekke was dat ik het ergens wel grappig vond, dat afzien. Het gaf de vakantie iets onverwacht avontuurlijks. Iets puurs, natuurlijks, van op jezelf aangewezen zijn en overgeleverd aan de elementen.

De een na laatste dag kreeg ik een ingeving heb ik mezelf een stukje welverdiende warmte cadeau gedaan. Ik vulde een limonadefles met heet water, en legde die in mijn bed. Op hoop van zegen. Het ging goed, en eindelijk, na twaalf nachten blauwbekken, had ik het eens warm.

De mensen van wie we het huisje huurden zeiden dat het uitzonderlijk was, zulk slecht en koud weer in deze tijd van het jaar. Wie weet is dat echt zo. Maar volgende keer ga ik gewoon weer in de zomer. ;-)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen